Na het ineenstorten van het Romeinse Rijk, zo’n 1600 jaar geleden, gingen de rechten
van de Romeinse legerplaatsen over op de koningen van het Frankische Rijk dat inmiddels
machthebbend was. De Frankische keizer Karel de Grote liet een palts bouwen op de
plaats van het oude fort van destijds. Mogelijk maakte hij bij de bouw gebruik van
de oude nog resterende fundamenten. Hij trok van palts naar palts om belastingen
te innen en toezicht te houden op het lokale en regionale bestuur. Het is bekend
dat de Nijmeegse Palts diverse keren door Keizer Karel is bezocht, onder andere tijdens
Pasen in het jaar 777. Na de Karolingers kwamen Duits-Roomse vorsten aan de macht
waarvan keizer Otto II voor Nijmegen wel de belangrijkste was. De Palts van de Ottonen
werd door oorlogshandelingen zwaar beschadigd maar ook geplunderd en in brand gestoken
door onder meer de Noormannen. Van de door Karel de Grote gebouwde burcht is echter
niets meer over gebleven. In 1047 werd de burcht verwoest. Hoe die burcht er uit
heeft gezien is in het geheel niet bekend. Omstreeks 1150 begon, in opdracht van
Frederik Barbarossa, de bouw van de burcht, waarvan nu nog restanten op het Valkhof
te Nijmegen aanwezig zijn. Het werd een grootse burcht, die op haar hoogtepunt de
stad Nijmegen en haar omgeving eeuwenlang heeft gedomineerd. Omdat hij geld nodig
had verpandde de Rooms-Koning Willem in 1247 de burcht met alle goederen en rechten,
die daarbij hoorden, aan graaf Otto van Gelre. De pandsom werd nimmer afgelost en
daarom bleven de burcht en de vroegere Rijksstad Nijmegen vanaf dat moment onder
de Gelderse landsheren ressorteren en werd Nijmegen Gelders gebied.
Er zijn nu nog maar enkele resten van de Valkhofburcht over, waaronder de St. Nicolaaskapel
en resten van de Barbarossakapel. De St. Nicolaaskapel heette vroeger de Karolingische
kapel (ooit werd de kapel zelfs aangeduid als 'De Heydensche kapel'), omdat men destijds
nog aannam dat de kapel door Karel de Grote gebouwd zou zijn. De kapel lijkt op een
verkleinde uitvoering van de kapel in de palts bij Aken, een paleis waar Karel de
Grote veelvuldig verblijf heeft gehouden. Nader onderzoek heeft echter uitgewezen,
dat de kapel echter van later datum is. Zij dateert op zijn vroegst uit de 11e eeuw.
De Barbarossaruine maakte deel uit van een van de grootste gebouwen van het kasteel.
In deze noord-zuid verlopende vleugel bevond zich onder meer de ridderzaal, waar
zich het belangrijkste leven op het kasteel afspeelde. Aan de noordzijde van deze
vleugel bevond zich een oost-west verlopende reeks van andere gebouwen. Een van deze
gebouwen was de reuzentoren, de donjon. Deze belangrijke toren stak ver boven alle
andere gebouwen uit. De gebouwen van het kasteel werden omgeven door imposante muren,
die vanaf de Waalzijde hoog op de heuvel waren gebouwd. Aan de landzijde, de stadszijde,
lag voor de muur een brede droge gracht. De toegang tot het kasteel werd beschermd
door een poortgebouw, waaronder de poort, die toegang gaf tot het burchtterrein.
De hoofdpoort kon bereikt worden via een brug over de droge gracht.
De Valkhofburcht heeft eigenlijk nooit een landsheer als bewoner gekend, hoewel vele
Gelderse graven en hertogen er wel verbleven hebben. De belangrijkste bewoners van
de burcht waren de burchtgraven, die namens de landsheer het kasteel hebben bewaard
en bestuurd. Meestal lag er een militaire bezetting op het kasteel.
Een fraai verhaal uit de tijd van de graven van Gelre luidt als volgt: Graaf Reinoud
II, die de bijnaam de Zwarte droeg, was gehuwd met een zuster van de Engelse koning
Edward III, Eleonora. Er ontstond tussen de beide echtgenoten, zoals dat in een huwelijk
gaan kan, een zekere verwijdering. Reinoud wilde de goegemeente laten geloven dat
dit kwam omdat Eleonora door melaatsheid, een destijds ongeneeslijke ziekte, zou
zijn getroffen. Maar Eleonora wist er wat op te vinden. Tijdens een feest op het
Valkhof, waarbij haar man de centrale figuur was, verscheen zij plotseling met haar
beide kinderen in de feestzaal. Zij ontblootte haar bovenlijf, opdat een ieder kon
constateren dat de verhalen van haar man verzonnen waren… Of het huwelijk daarmee
gered was? Hoe dan ook, deze dramatische scène is vele malen in proza en poëzie beschreven.
Enkele belangrijke bezoekers van de burcht in de 16e eeuw waren Karel van Gelre
(1492-1538) en zijn bruid Elizabeth, hertogin van Brunswijk-Lüneburg (1494-1572),
zijn opvolger Willem van Gulik, Karel V (in 1546), Koning Philips II (in 1549) en
de hertog van Alva (in 1568 en 1573). Anna van Oostenrijk, de toen toekomstige bruid
van Karel's zoon, Philips II, heeft in 1570 gedurende haar reis over het water van
Wenen naar Madrid ook een week gelogeerd op het Valkhof. Zij is in Nijmegen vorstelijk
onthaald door Alva en daarbij heeft de St. Nicolaaskapel nog een opknapbeurt ondergaan.
De huidige plafondschilderingen zijn daar een overblijfsel van. Door de opkomende
strijd tussen de protestanten en katholieken werd Noord-Nederland zelfstandig onder
Willem van Oranje. Nijmegen verviel aan de protestanten en de kapel werd aan de kerkelijke
eredienst onttrokken. In de voor Oranje moeilijke tijden tegen het einde van de 18e
eeuw kwam de stadhouder Willen V met zijn gezin voor een langduriger verblijf naar
de Valkhofburcht. Eén van die kinderen was prins Willem Frederik, de latere koning
Willem I. Zij waren door de patriotten-beweging uit Den Haag verdreven. Het gezin
verbleef twee jaar op het Valkhof. Nadat zijn macht hersteld was keerde het gezin
op 24 september 1787 weer terug naar Den Haag. Enkele jaren later werd Nederland
toch bezet door de Franse legers van Napoleon. De burcht raakte licht maar niet onherstelbaar
beschadigd. Toch werd in 1795 door het Provinciaal bestuur van Gelre besloten om
de burcht te laten slopen, met als officiële reden het kostbare onderhoud. Echter:
het is niet ondenkbeeldig dat ook jaloezie van andere steden heeft meegespeeld. Tufsteen
was een kostbare grondstof voor tras, een soort watervaste cement en het grootste
deel van de gebouwen was uit tufsteen opgetrokken. Zo werd de burcht in twee jaar
tijd in 1796 en 1797 gesloopt. Alleen de St. Nicolaaskapel en St. Maartenskapel (later
Barbarossa-ruïne) konden door de stad worden teruggekocht en bleven zo gespaard,
samen met funderingsresten van de ringmuur.
Na de afbraak van de burcht, kreeg de landschapsarchitect J. D. Zocher sr. de opdracht
om op de plaats van de burcht een openbaar park aan te leggen. Deze landschappelijke
aanleg van het park 't Valkhof ligt op een 35 meter hoge heuvel. In het park staan
eerbiedwaardige relicten uit vroeger tijden: de Karolingische Sint Nicolaaskapel
en de Barbarossa-ruïne, naar de bijnaam van de Duitse keizer Frederik I van Hohenstaufen.
De ruïne van deze burcht werd door J.D. Zocher sr. in zijn landschappelijke aanleg
van het park opgenomen als romantisch sierelement. In 1886 reorganiseerde de Leuvense
tuinarchitect P.L. Rosseels de aanleg van Zocher. In 1980 werd in het park een Romeinse
godenpijler van keizer Tiberius gevonden. In 1999 werd er het Museum Het Valkhof
geopend naar een ontwerp van Ben van Berkel.