

specials:
©2010 Guus
Pauwels
Disclaimer
bezoeker
Laatste update
21 maart 2012




Kasteel Singraven
Molendijk 37
7591 PT Denekamp
Provincie Overijssel

|
Noorderbreedte Oosterlengte |
52° 22' 27.82" N 6° 58' 56.11" E |

Singraven is een 600 hectare groot landgoed nabij Denekamp in de gemeente Dinkelland. Tot het landgoed behoren naast de havezate, zeven pachtboederijen, waarvan er vijf herkenbaar zijn aan de wapenkleuren van het Singraven. Zij zijn namelijk voorzien van rood/wit met groen omrande blinden met in het midden een blauw/gele cirkel. Verder maken een watermolen en het arboretum Hagelmeien deel uit van het landgoed.
De eerste vermelding van het Singraven dateert van 1381. Uit een protocol der zittingen van het leengerecht van de Utrechtse bisschop Floris van Wevelinghoven blijkt dat het Singraven eigendom was van deze Utrechtse bisschoppen en in leen gegeven was aan de adellijke familie Awick. Deze familie bewoonde het landgoed Singraven achttien jaar waarna het in 1398 over ging in handen van de Hondenbergs.
Nadat de familie van Twickel, vanaf 1505, een jaartje de scepter over het leengoed
Singraven hadden gezwaaid, werd het op 26 oktober 1505 verkocht aan een Oldenzaalse
kloostergemeenschap. Uit die tijd stamt ook de legende van “het spook van Singraven”.
Het verhaal luid dat er op 't Singraven elke nacht het spook van een non zou rondwaren.
Zij was een van de begijnen die het huis aan het begin van de 16de eeuw verbouwde.
Na een ongehoorzaamheid werd ze op bevel van moeder overste voor straf ingemetseld,
waarna haar ziel geen rust kon vinden. Haar geest zou ongeluk brengen over de bewoners.
Griezelig maar waar gebeurd is het verhaal van 'de verbrande Roessingh'. Hendrik
Jan Bernhard Roessingh had sinds het overlijden van zijn jonge vrouw en haar doodgeboren
dochtertje nog slechts belangstelling voor de inhoud van zijn wijnkelder. Toen de
46-
De laatste bewoner van het Singraven was Willem Frederik Laan, de jongeste zoon van
de uit de Zaanstreek afkomstige industrieël en Lid van de Eerste Kamer Jan Adriaan
Laan en zijn vrouw Cornelia Eva Prins. Op 7 september 1915 kochten ze het oude huis
met het 430 ha grote landgoed voor ca fl. 440.000. De familie Laan betrok een huis,
dat minstens vier eeuwen onderdak had geboden aan de meest uiteenlopende eigenaren.
De namen van de bisschop van Utrecht, begijnen uit Oldenzaal, de heer van Twickel,
de graven van Bentheim, Sloet, Thouars en Roessingh-
In 1921 onderging het Huis Singraven een grote uiterlijke verandering. Het dak werd vervangen en kreeg zijn oorspronkelijke hoogte terug. Het torentje in het midden van de noordgevel werd afgebroken en de hele gevel werd bekleed met een grijsachtig natuursteen die uit de groeven bij Gildehaus (Bentheim) kwam.
Willem Frederik Laan erfde het goed in 1922. In 1923 gaf hij de bekende tuinarchitect Leonard Springer opdracht het arboretum Hagelmeien op het landgoed aan te leggen. Ondanks dat het huis er op dat moment heel fraai uitzag was Willem Frederik niet geheel tevreden. Het feit dat het huis zo laag was bleef hem irriteren omdat het hierdoor minder imposant leek. Een doorn in zijn oog was ook het feit dat het huis niet precies in het verlengde van de oprijlaan lag. In 1935 kwam hij met het idee om het oude huis geheel af te breken en een nog imposanter, iets meer naar achter liggend huis te bouwen. Niets van deze grote ideeën gingen door. Wel werden er twee dienstwoningen gebouwd bij het hek van het begin van de oprijlaan aan de Ootmarsumerstraat. Hoe nauwkeurig Laan zijn landgoed ook beheerde, voor een 20e eeuws kasteelbewoner waren de kosten ondragelijk hoog. Om zijn onroerend goed fiscaal aanvaardbaar te maken, woonde hij niet op het huis. Laan sloot zijn monumentale huis elke avond af en liep dan naar zijn eenvoudige huisje aan de oprijlaan om er te eten en te slapen. Toen zijn financiële middelen uitgeput dreigden te raken kreeg hij steun van de Stichting Edwina van Heek, die na zijn dood in 1966 zijn belangwekkende nalatenschap erfde. Dankzij deze gift kunnen huis en collectie te midden van tuinen en het prachtige Twentse landschap in harmonie voorbestaan.

De watermolen van Singraven
De vernuftige werking van de houtzaagmolen is uniek in Nederland vanwege de aandrijving door waterkracht. Buiten biedt de molen een fraai schouwspel van drie imposante raderen met elk een doorsnee van 5,5 meter .
De oudste datering van de Watermolen van Singraven is van 1448. Herhaaldelijk werd de molen verwoest en herbouwd. Gedenkstenen in de kademuur herinneren hieraan. Lange tijd had de molen een monopoliepositie (op malen) in de omgeving. Hierdoor was de molen het meest waardevolle bezit van Singraven. Na de komst van elektriciteit behield de molen zijn waarde als curiositeit en toeristische trekker. De kunstschilders Jacob van Ruisdael en Meindert Hobbema
Bij een rondleiding toont de molenaar hoe de molen zaagt en maalt. Het zagen op waterkracht gaat gepaard met een indrukwekkende dreun, zodat de molen op zijn grondvesten trilt. Buiten liggen de houtstammen ongeveer twee jaar in het Dinkelwater. Door deze conserveringswijze krijgen de gezaagde planken en balken de kwaliteit van tropisch hardhout. Ze worden gebruikt voor alle timmerwerk op het landgoed.
Behalve de zagerij is er ook nog de korenmolen, met een opmerkelijke capaciteit en omvang. Vroeger haalde de malerij met de twee steenkoppels een productie van wel vijf ton per dag (maar toen waren de werkdagen lang...).
Het harmonisch in vakwerk gebouwde molencomplex omvat naast de houtzaag-
vereeuwigden de molen in hun werk.

