

specials:
©2010 Guus
Pauwels
Disclaimer
bezoeker
Laatste update
21 maart 2012




Kasteel Lunenburg
Langbroekerdijk A 99 3947 BE Langbroek
Provincie Utrecht
|
Noorderbreedte Oosterlengte |
52° 0′ 44″ N 5° 19′ 12″ E |
De woontorens langs de Langbroekerwetering zijn vrijwel allemaal volgens hetzelfde stramien gebouwd. De leenheren waren onder andere de bisschoppen van Utrecht en de graven van Holland en Gelre. Verscheidene families werkten zich omhoog door zich tot de ridderstand te laten verheffen of door een belangrijke rol te spelen binnen de geestelijke stand. Een familie die vanaf de 13e tot de 15e eeuw een behoorlijke machtspositie bereikte, was de familie Van Zijl (Van den Zile). In een oorkonde van 1279 wordt Pontiaan van Zijl genoemd als bezitter van gronden in Langbroek.
Aangezien Pontiaan als eerste van zijn geslacht staat vermeld, wordt hij maar al
te vaak -
De eerste leenman die geen Van Zijl heette, was Ghijsbrecht van Lockhorst. Hij werd in 1402 beleend. Een aantal jaren later omschreef Steven van Everdingen Lunenburg als een huis 'metter hofstat'. Waarschijnlijk zal het kasteel vooral als woongelegenheid gediend hebben. In 1422 kreeg Ghijsbrecht de Ridder Lunenburg in leen van de domproost Sweder van Culemborch. Cornelis de Ridder, een nazaat van Ghijsbrecht, was leenman van Lunenburg in 1538, het jaar waarin de woontoren werd ingeschreven als ridderhofstad. Lunenburg bleef echter niet lang in handen van De Ridder, want in 1563 moest Willem de Ridder de toren verkopen aan Maarten Schipperius, die hem in 1580 doorverkocht aan Godard Boll, burgemeester van Utrecht. Deze zal op het voorterrein een woongebouw opgetrokken hebben.
Zijn kleindochter Henrica Boll trouwde Daniël van den Berch die er in 1619 mee werd beleend. Toen Daniël van den Berch, nazaat van eerder genoemde, in 1693 kinderloos overleed, verkocht zijn weduwe de toren aan Joseph Hoeufft, schepen en raad in de vroedschap van Utrecht. Dan is er sprake van 'de riddermatige hofstede van Lunenborgh met synen toorn, huysinge, singels, graften enz.'
Diens dochter huwde met Hendrick Ruysch, die het bezit in 1737 aan zijn zoon Balthasar
Constantijn afstond. Voor 6.615 gulden verkocht Balthasar het goed in 1750 aan Frans
Godard, baron van Lynden van Hemmen en Blitterswijk. Deze Gelderse edelman, die in
1726 gehuwd was met rijke Utrechtse patriciërsdochter Constantia Isabella van der
Muelen, kocht het ongetwijfeld ten behoeve van zijn tweede zoon Bathazar Constantyn,
die er in 1755 mee werd beleend. De oudste zoon kreeg Hemmen en de oudste dochter
Blitterswijk in Noord-
Lunenburg bestond in 1750 uit 18 morgen land en 20 morgen bos, het Lunenburgse Bos
genoemd, en werd bij de belening omschreven als de 'toren, huisinge en getimmerte,
singels, graften, vijvers, duivevlugten, visscherijen, mitsgaders boerewoning, brouwerij,
ketels, schuren, bergen, boomgaarden, bouw-
Balthazar Constantijn maakte een snelle carrière in het Sticht, waarbij zijn huwelijk met een dochter uit het geslacht Strick van Linschoten wel geholpen zal hebben. Hij overleed in 1822 op hoge leeftijd. Zijn zoon Jan Hendrik was in 1794 gehuwd met een van de dochters van Alexander Diderik van Spaen tot Biljoen. Zij zullen waarschijnlijk spoedig daarna het nieuwe landhuis hebben laten bouwen en het nieuwe park hebben laten aanleggen. Het echtpaar had drie dochters, die allen ongehuwd op Lunenburg bleven wonen.
De jongste, die in 1860 overleed, liet Lunenburg na aan haar neef jhr. mr. J. van Swinderen van Rijs. Deze woonde echter in Friesland en stelde Lunenburg zijn vader ter beschikking. Deze heeft het huis laten verbouwen en liet het nieuwe koetshuis optrekken.
Na de dood van zijn vader verhuurde Van Swinderen het aan particulieren. Door koop
kwam het aan mr. Joan Gerard Kruimel die het vanaf 1888 verhuurde aan de schrijver
Jan van der Poorten Schwartz, beter bekend onder zijn pseudoniem Maarten Maartensz.
Kruimel liet de prachtige oprijlaan in zijn geheel rooien. In 1925 vond Lunenburg
een nieuwe eigenaar in de persoon van mr. E. van Eibergen Santhagens. Hij was de
laatste bewoner tot 1931, waarna het leeg kwam te staan. Door een bombardement in
1944 werd Lunenburg zwaar beschadigd. In 1967 werd de ruïne door het K.F. Heinfonds
gekocht. Na de restauratie van 1968-
Hoewel de naam Lunenburg voor het eerst in 1339 voorkomt en pas in 1402 in een belening sprake is van een 'toerne te Lunenborch', kan de toren toch in de tweede helft van de 13e eeuw gebouwd zijn. Het steenformaat (30 x 15 x 7,5 cm) en het Vlaams verband in het metselwerk duiden daarop. De toren is buitenwerks 8,4 x 9,3 m groot; de muurdikte is op de begane grond 1,2 m, die van de noordwestmuur waarin de trap is uitgespaard 1,6 m. De totale hoogte tot aan de weergang bedraagt 15,5 m.
De fundering bestaat uit doorgaande muren zonder snijlagen of spaarbogen; de grondslag
bestaat uit klei vermengd met veenlagen. De kelderruimte, die een tongewelf heeft
met de kruin in noordwest-
Wellicht moet hier in analogie met de Walenburg gedacht worden aan een aanaarding van de toren, zodat hier sprake is van een verloren gewelf; dit is een gewelf over een loze ruimte, dat om constructieve redenen is aangebracht. In dit geval gaat het mogelijk om afsluiting van de (vochtige?) loze ruimte. Wel werd in de zuidhoek van deze kelder tijdens de restauratie een waterput aangetroffen en gereconstrueerd. Er kon tijdens die werkzaamheden niet worden vastgesteld of de put oorspronkelijk was. Gezien de ligging van de put (tegen de fundering aan, in plaats van opgenomen in het metselwerk) lijkt een latere aanleg waarschijnlijk.
Ook een nog resterend venstertje in de noordoostmuur zal later uitgebroken zijn.
Opvallend is dat tijdens de restauratie van 1968-
In 1772 werd Lunenburg in de Tegenwoordige Staat omschreven als: 'bestaande insgelijks in een zwaaren Tooren, met twee windijzers voorzien. Daar is egter, ook een bekwaam Heerenhuis, waar van men, met een houten brug, naar den ouden Tooren gaat, die rondom met eene ruime graft omvangen is. Ook is er, aan den weg, een Heerenbuitenpoort of voorburg'. Deze situatie heeft daarna waarschijnlijk nog slechts een kwart eeuw bestaan. Waarschijnlijk nog aan het eind van de 18e eeuw heeft de familie Van Lynden de grachten rond de woontoren laten dempen en de woontoren laten uitbreiden met een gepleisterd neoclassicistisch landhuis.
Opmerkelijk is dat men veel moeite heeft gedaan om de woontoren te handhaven. Het
nieuwe huis had boven het souterrain twee verdiepingen en sloot met de vloeren vrijwel
exact aan op de vloerniveaus van de oude toren. De plattegrond was zeer traditioneel
ingedeeld. De twee muurtrappen, die van de begane grond naar de tweede verdieping
voerden, werden benut als hoofdtrappehuis. Van Swinderen sr. heeft de achterzijde
waarschijnlijk laten verbouwen door Samuel Adrianus van Lunteren (1813-
In de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog werd Lunenburg gebombardeerd, omdat
enige tijd daarvoor Duitse legervoertuigen onder de bomen geparkeerd hadden gestaan.
Door het bombardement werd het kasteel ernstig beschadigd: de gehele zuidhoek van
het 19e-
Al spoedig werden plannen gemaakt voor de herbouw van het kasteel. Een door architect W. Dijkman te Zeist in 1948 getekend plan, dat in het geheel geen rekening hield met de bouwhistorische gegevens om de toren geheel solitair (met een kleine aanbouw) te herstellen, werd niet uitgevoerd.
Eveneens kort na de oorlog werd de ruïne uitvoerig opgemeten en is er op basis van
die opmeting een drietal restauratievarianten ontwikkeld. Als eerste werd een volledige
reconstructie van de vooroorlogse situatie voorgesteld. Een alternatief hiervoor
was het herstellen van het bestaande gebouwen ter plaatse van het weggebombardeerde
gedeelte een terras aanleggen. Het derde bouwplan voorzag in het vrijwel isoleren
van de woontoren, met behoud van het voorste gedeelte van het 19e-
De 19e-
De huidige deur geeft via een trapportaal toegang tot het hoofdvertrek van de toren. Deze ruimte bevat een stookplaats, een kaarsnis en een muurkastje. De ruimte op de eerste verdieping bevat geen stookplaats. Wel werd hier het restant van een privaat aangetroffen; dit privaat is gereconstrueerd.
De tweede verdieping is door een koepelgewelf op rechthoekige grondslag -


