

specials:
©2010 Guus
Pauwels
Disclaimer
bezoeker
Laatste update
21 maart 2012








Slot Loevestein
Loevestein 1
5307 tg Poederooijen
Provincie Gelderland

|
Noorderbreedte Oosterlengte |
51° 48' 59.01" N 5° 1' 17.51" E |

De keuken kenmerkt zich door een enorme schoorsteen over de hele lengte van de (Keucken)toren; wanneer men er onder gaat staan kan men helemaal naar boven kijken. Aan beide kanten van de schoorsteen bevinden zich rookhokken, waar de voorraad gerookte vis en vlees voor de winter in werd gehangen. Om erbij te kunnen komen, klom men aan de voorkant van de houten schouw op een ladder omhoog. De grote schouw moest zo veel mogelijk rook tegenhouden en werkte als een soort afzuigkap. Door de zeer goede trek in de schoorsteen wordt hier de rook aan de binnenkant van de schouw terug de schoorsteen in gezogen. Soms ging het mis; bij storm bliezen 'valwinden' de rook soms door de schoorsteen onder de kap door terug de keuken in. Dan werd het luik boven in de muur opengegooid. Hierachter zat een gat dat op de binnenplaats aan de beschutte kant van het kasteel uitkwam. Zo kon het niet hard naar binnen waaien of regenen, maar ging het wel tochten in de keuken, waardoor de rook weer kon wegtrekken.
Over de waterput in de hoek is blijkbaar ook goed nagedacht bij de bouw van het kasteel. De put zit binnen in de muren en was dus voor de vijand van buitenaf onbereikbaar. Het water komt heel diep uit de grond; het is een echte welput. Zo had men altijd schoon water in het kasteel, wat in die tijd een hele vooruitgang was.
Deze zaal werd vroeger ook wel 'hoghe Zael' genoemd, waarbij het woord 'hoghe' de betekenis had van voornaam, belangrijk. De Zael werd in het bijzonder gebruikt voor gelegenheden met een plechtig karakter: feesten, waaraan vaak een plechtige bijeenkomst vooraf ging, rechtspraak en godsdienstoefening. De middeleeuwse muurschildering in de hoek van deze zaal herinnert hier nog aan. De muurschildering werd bij toeval ontdekt tijdens herstelwerkzaamheden aan de muur in 1927. Vermoedelijk werd de schildering tijdens de Reformatie aan het eind van de 16e eeuw weggemetseld. De afbeelding in het midden stelt Jezus Christus aan het kruis voor; links daarvan Maria en rechts Johannes op een zandheuvel. Aan de rechterkant van het gat in de muur is de Heilige Catharina van Alexandrië afgebeeld, die volgens de legende in het jaar 70 de marteldood stierf vanwege haar geloof. Zij was een veel vereerde heilige in de Middeleeuwen.
De monumentale kapconstructie van de zolder ziet er nog vrijwel hetzelfde uit als in de 14e eeuw. Houten balken zitten met houten pennen, toognagels, in elkaar vast. U moet zich echter niet op het hout zelf verkijken, want er is geen balk of plank echt zeshonderd jaar oud. Door de eeuwen heen wisselden perioden van verwaarlozing en actieve restauratie elkaar af. Werklieden schreven nog wel eens een jaartal op het hout, zoals de heer van Loon in 1879.
Het grote rad in het midden van de zolder diende als hijswerktuig. Zowel in de houten vloer van de zolder als in de vloer daaronder zat een gat; het touw aan de as kon men daardoor tot onder in het kasteel laten zakken. Beneden bond men er zakken voorraad aan, die zo naar boven werden gehesen. Dit principe werkt bijzonder gemakkelijk; een lading van ongeveer honderd kilo kan al door iemand met een gewicht van vijfentwintig kilo omhoog getrokken worden


Plattegrond kelder Loevestein


Rond 1368 liet ridder Dirc Loef van Horne een kasteel bouwen op een strategische plaats in het hart van Nederland, daar waar Maas en Waal samenkomen: Slot Loevestein, het stenen huis van Loef. Door de eeuwen heen veranderde het Slot regelmatig van vorm. In de 17de eeuw is het uitgebreid tot een complete vesting met aarden wallen, twee slotgrachten, arsenaal, commandantswoning en soldatenhuisjes: het kasteel werd staatsgevangenis voor politieke gevangenen. De ontsnapping van Hugo de Groot uit Loevestein in een boekenkist heeft het Slot (inter)nationaal bekend gemaakt. In de Napoleontische tijd maakte Slot Loevestein als militair fort deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na een roerig bestaan van ruim zes eeuwen is de vesting nu als museum te bezoeken.
In de Middeleeuwen vonden de Ridderkamer allerlei administratieve handelingen plaats; rekeningen opstellen, correspondentie afhandelen, binnengekomen goederen controleren en de voorraad bijhouden, het was allemaal de taak van de tollenaar die hier zijn werkplek had. Niet voor niets wordt de Riddercamer ook wel 'schrijfkamer' genoemd. De tollenaar was er natuurlijk ook bij als er een schip werd aangehouden om tol te betalen. Hij moest immers de boekhouding bijhouden. In het verlengde van deze functie werd de Riddercamer ook gebruikt voor de opslag van perkamentrollen en geld; men bewaarde dit in kisten. Daarnaast was er in de ruimte nog een beperkte wapenopslag; zwaarden, messen, bogen en harnassen werden hier ook in kisten bewaard.
De Grote Camer of Kemenade was in de Middeleeuwen de woonkamer van het kasteel. Tijdens
de koude wintermaanden werd hier de open haard permanent gestookt; de overige ruimten
werden alleen bij gelegenheid verwarmd. Voor de haard staat de heen-
In 1575 werd door Willem van Oranje opdracht gegeven voor de versterking van Slot
Loevestein. Rondom het kasteel werden vestingwallen aangelegd en een buitengracht
gegraven. Binnen de vestingwallen werden soldaten gelegerd, aanvankelijk in houten
barakken, die later werden vervangen door stenen huisjes. Het kasteel stond kaal
en leeg midden in de vesting. Men vond het daarom een geschikte gevangenis. Vrijwel
alle kamers werden als cel gebruikt en de grote zaal op de tweede verdieping, de
Staatsgevangenis, werd met houten scheidingswanden verdeeld. De gevangenen waren
staatsgevangenen van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Naast politieke gevangenen,
stads-
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-
De Leidse professor Erpenius stuurde Hugo de Groot regelmatig een grote kist met boeken via zijn zuster, mevrouw Daetselaar in Gorcum. Bij aankomst en terugzending van de kist werd deze op het kasteel door bewakers gecontroleerd. Er mochten alléén boeken in zitten. Omdat er door de bewakers nooit iets verdachts gevonden werd, verslapte mettertijd de controle, met name op dagen dat de commandant afwezig was. Maria van Reigersberg, de vrouw van Hugo de Groot, en hun dienstmeisje Elsje van Houweningen deelden vrijwillig de gevangenschap van Hugo de Groot. Maar zij waren geen veroordeelden en kregen daarom iets meer bewegingsvrijheid. Af en toe mochten zij naar de markt in Woudrichem of Gorcum gaan. De verslapte controle was hen niet ontgaan en zij maakten hiervan gebruik bij het beramen van een ontsnappingsplan. Op 22 maart 1621 vluchtte Hugo de Groot in de boekenkist uit zijn gevangenis. Hij vermomde zich bij de familie Daetselaar in Gorcum als metselaar en werd de stad uit geholpen. Na 24 dagen kwam hij in Parijs aan en richtte hij, gesteund door de koning van Frankrijk, een verzoek aan de Staten van Holland om zijn vrouw en kinderen ook naar Frankrijk te laten vertrekken. Dit verzoek werd ingewilligd op voorwaarde dat De Groot nooit meer in Nederland zou terugkomen. In 1634 werd Hugo de Groot benoemd tot ambassadeur voor de koningin van Zweden in Frankrijk. In 1645 bracht hij een bezoek aan Zweden. Het schip leed op de terugreis schipbreuk; Hugo zou deze ramp niet overleven. Hij overleed te Rostock en ligt nu begraven in de Grote Kerk in Delft.
Wanneer u met het gezicht naar het kasteel toe staat, ziet u aan de rechterkant
de Riddertoren, ook wel Waaltoren of Wachttoren genoemd. Dit is de oudste toren,
die oorspronkelijk veel lager was en kantelen had: hierop werd de wacht gehouden.
De oorspronkelijke vorm van de toren is nog steeds te zien aan de roodbruin geschilderde
voegen. De linkertoren heet Keuckentoren of Maastoren. Hoewel het kasteel door de
eeuwen heen nagenoeg hetzelfde is gebleven, is aan de gevel goed te zien dat de deur-
Door de eeuwen heen hebben de rivieren echter ook voor veel overlast gezorgd. Bij hoogwater kwam er altijd van twee kanten water de polder in. Zo gebeurde het nogal eens dat het Slot rondom in het water kwam te liggen. Daarbij bevroor soms de watervlakte in de winter, wat altijd schade toebracht aan bruggen en gebouwen. Het duurde minimaal zes weken voordat het water weer gezakt was en al die tijd was men van de buitenwereld afgesloten. Deze jaarlijks terugkerende dreiging is wellicht ook een reden geweest waarom rijke adellijke families er nooit voor hebben gevoeld om dit kasteel te bewonen. Ook nu nog 'stroomt de polder regelmatig in', omdat het Munnikenland slechts wordt beschermd door zomerkades.
In de Middeleeuwen en de periode erna zagen de kelderruimtes er anders uit dan nu het geval is. Een 19e eeuwse renovatie heeft ervoor gezorgd dat er niets meer zichtbaar is van de oude situatie. De middeleeuwse kelder bestond uit een aantal langgerekte ruimtes, voorzien van een tongewelf (een gebogen plafond). Deze ruimtes werden gebruikt voor de opslag van allerlei goederen. De zogenoemde 'koude en natte waar' werden op deze koele plek bewaard, zoals (gezouten) vlees, zuurkool en appels. Behalve opslag had de kelder ook andere functies, zoals bakkelder (om brood te bakken), rosmolen (een graanmolen, aangedreven door een paard), bottelarij en... een gevangenecel.
