





Kasteel Libermé
Aachernerstrasse 302
4600 Kettenis
Eupen
Provincie Luik
Deze mooie naam herinnert zowel aan een zéér oud geslacht uit Limburg, al aan een
van de meest schilderachtige kastelen van het vroegere hertogdom. Op 700 meter ten
noordnoordoosten van de kerktoren van Kettenis, beneden langs de weg (iets ten westen
ervan) die naar Eynatten leidt, ligt een groepje gebouwen in een soort dalgebied,
dat is Libermé.
Men kan het kasteel bereken of via een privé-
Het dak staat in verbinding
met de achthoekige torenspitsen van twee ronde torens (waarvan de benedenbouw iets
breder is) aan weerskanten van het gebouw. Dit gebouw loopt door aan de rechterkant
in een oude bescheiden hoofdbouw met een dak van dakpannen. Tussen det wee torens
zien we een karpoort in boogvorm, binnen een soort vierkant kader van een vroegere
ophaalbrug. De sporen hiervan zijn nog te zien aan twee stenen die een inkeping hebben
waar vroeger de as van de ophaalbrug in steunde.
Dat toont aan dat vroeger de boerderij
en het kasteeltje ernaast, omringd waren door water. De boog van de poort is fijn
bewerkt met beeldhouwwerk van de wapens van cie Battenburgs en de Straet's. De deurstijlen
ervan hebben lange ronde uithollingen in de vorm van een halve maan om het voorbijrijden
van karren te vergemakkelijken. Daarboven zijn twee spitse gotische Ogen en net onder
de kroonlijst vinden we een stenen dwarsligger van een raamnis met daarop een, eveneens
gotische inscriptie, die het bouwjaar aangeeft (1534) en de naam van de bouwer, namelijk
Battenburg.
Als we naar binnen gaan door het portaalgedeelte dat uitzicht heeft op
een kleine betegelde binnenplaats van een boerderij, zien we rechts een stenen brug
met drie bogen, voorzien van een hoeksteen met daarop het jaartal 1766, die een tweede
verdwenen ophaalbrug vervangt. Vanaf daar begint het kasteelgedeelte, (voorafgegaan
door een pleintje) dat geheel met grachten omringd is. Het is een rechthoekig, tamelijk
hoog en fors gebouw, waarvan de begane grond werd verhoogd met een bovenverdieping.
Het
geheel is bedekt met een dak bestaande uit twee hellende vlakken leisteen. die voorzien
zijn van dakvensters. Aan de noordoostelijke puntgevel en aan de noordoostelijke
gevel is het bovenste gedeelte van de wand in vakwerk uitgevoerd en voorzien van
erkers die op houten dwarsbalken steunen. De erkers bestaan nog, maar zijn minder
in aantal dan vroeger. Het vakwerk aan de noordwestkant, met zijn in eikenhouten
kozijnen geplaatste venstertjes, is vervangen tijdens de verbouwingen in 1919. De
hoofdgevel ligt op het zuidoosten, in de richting van de weg Kettenis-
Vanaf
het uiteinde van het dak van deze vleugel begint een kegeivormige toren waarvan men
de betekenis niet begrijpt, en die v66r 1919 niet bestond! Deze gehele vleugel was
trouwens vroeger lager: de hoogte van de nok bereikte slechts dezelfde hoogte als
de kroonlijst van het hoofdgebouw. We treffen er nog de gotische bovendorpels van
een mam van en een kelderdeur. De andere raamnissen, die vernieuwd worden in de achttiende
eeuw, zijn dan ook in Lodewijk XV-
Kasteel
Libermé was een op zich staand landgoed dat zich had losgemaakt van de Heerlijkheid
van Kettenis, maar was desondanks ook afhankelijk van het Chapitre de Notre Dame
d'Aix la Chapelle. In 1346 was het kasteel eigendom van Arnold de Libermé. Het kasteel
blijft in bezit van het nageslacht, totdat er geen mannelijke erfgenamen zijn (ongeveer
160 jaar later).
In 1366 worden de namen; Rose (weduwe van Filles de Libermé), en
haar zonen, Thomas en Ziche de Libermé genoemd. In 1407 is een zekere Schin de Hagen
voor één derde deel eigenaar; In 1439 wordt het kasteeltje eigendom van Guillaume
de Libermé, kanunnik van de St. Lambert, en provoost van het kapittel van de St.
Jean te Luk. In het midden van de vijftiende eeuw schijnt een zekere Carsilis d'Eupen
het huis georven te hebben.
Hij doet het over aan de gebroeders Jean en Bauduin de
Birgel en aan Werner de Palant. In 1463 wordt het kasteel gekocht door Thierry de
Palant, burggraaf van Limbourg, die het drie jaar later weer verkoopt aan Jean Bertolf
de Hergenrath. Deze was in 1446 getrouwd was met Agnes Poleijn de Kettenis waarmee
hij al drie zonen had.
In 15 18 behoort Libermé toe aan Gerard de Kaldenbach, echtgenoot
van Marie KrummeI de Nechtersheim. Deze verkoopt het kasteel in 1531 aan Hermans
de Battenburg, kapitein in dienst van het keizerlijk leger. Hij was het die in 1634
op de Waal van de oude burcht een nieuw groter kasteel liet bouwen, evenals het kasteeltje.
De torenspitsen van zijn twee torens die in het begin van de twintigste eeuw werden
weggehaald en er in 1932 weer zijn opgezet. Herman de Battenburg had met zijn echtgenote
Elisabeth de Straet een zoon die Libermé erfde en het door zijn overlijden weer naliet
aan zijn dochter Marie de Battenburg. Deze trouwt met Jacques de Presseux de Hautregard,
kapitein van de Waalse infanterie en tweede veldheer van kapitein Leonard d'Aywalle.
Laatstgenoemde
werd in 1604 eigenaar van Libermé. Niettemin komt het eigendom terug in handen van
Catherine de Presseux, dochter Uit het eerste huwelijk van zijn vrouw. Zij trouwt
met Jean de Halley (ca. 1665) die Libermé in 1634 in bezit krijgt. Het landgoed gaat
na hun dood over op hun zoon Albert Ernest de Hallay en vervolgens op hun kleinzoon
Claude Charies de Halley, deken van de domstiftkerk van Sainte Croix te Luik. Hij
krijgt het in 1675 in bezit, en verkoopt het kasteel in 1697 aan Baron Maximilien
d'Estembeque.
Deze stierf in 1738, maar had het kasteel reeds in 1710 geschonken aan
zijn dochter Isabelle Josèphe, die trouwde met Thomas de Royer. Hun zonen Jacques
Alexandre en Maximilien Thomas de Royer volgen hun op als eigenaren en laten enkele
wijzigingen aan het gebouw aanbrengen. De modernisering van de zuidoostgevel en de
vervanging van de ophaalbrug van het kasteel in 1766 zijn van hun hand. Jacques Alexandre
overleed eerder dan zijn broer, zodat Maximilien Thomas de Royer alléén eigenaar
bleef van het landgoed en aan zijn naam De Libermé toevoegde. Hij trouwde met Marie
Catherine Elisabeth de Schindel en in tweede instantie met Anno Marie Engier.
Door
zijn overlijden in het jaar 1790, laat hij Libermé na aan zijn dochter uit het eerste
huwelijk, Anne Marie Lamartine (of Marie Thérèse Josèphe) de Royer, echtgenote van
Jean Charles Thomas de Fraipont (1757-
Vervolgens gaat
het over op diens zoon, Auguste The Losen. Na zijn dood laat hij Libermé na aan zijn
dochter Elise Marie H.A. The Losen, die in 1880 getrouwd was met do rechter Franz
Audomar Broich. Zij bezaten Libermé vanaf 1895 en verkopen het in 1918 aan Edwin
(of Emile?) Suermondt, echtgenoot van Anne Englerth. Het daaropvolgende jaar liet
hij ingrijpende verbouwingen aan het kasteel uitvoeren.
Met name do verwijdering van
het vakwerk van de gevel en de vervanging van de ramen aan de tegenoverliggende gevel.
Deze veranderingen zijn niet erg geslaagd en hebben ongetwijfeld afbreuk gedaan aan
het oorspronkelijk zo schilderachtige bouwwerk. Na zijn dood (omstreeks 1929) bleef
zijn weduwe op Libermé wonen tot haar dood op 15 maart 1934.
Het kasteel word door
haar twee kinderen georven. Mechtilde en Egbert Suermondt uit Düsseldorf. Aangezien
beiden de Duitse nationaliteit hadden, werd er na de Tweede Wereldoorlog beslag gelegd
op het bezit.
Tekstbron: www.trois-
|
Noorderbreedte Oosterlengte |
50°39'6.22"N 6° 2'56.43"O |
