

specials:
©2010 Guus
Pauwels
Disclaimer
bezoeker
Laatste update
21 maart 2012



Op het terrein van kasteel Hoensbroek werd in 2010 van april tot oktober een zandsculpturen
festival gehouden. Het thema was: historische zandsculpturen. De meeste zandsculpturen
beeldden scènes uit de middeleeuwen uit. Klik hieronder op de foto voor een een foto-



Kasteel Hoensbroek
Klinkerstraat 118
6433 PB Hoensbroek
Provincie Limburg

|
Noorderbreedte Oosterlengte |
50° 55' 0.36" N 5° 55' 6.00" E |

De naam Hoensbroek
Ongeveer 5 km ten noordoosten van Heerlen ligt in Hoensbroek, niet ver van de plek waar drie beken: de Geleenbeek, de Molenbeek en de Auvermoer samenvloeiden, een kasteel dat in de volksmond altijd ‘Gebrookhoes’ heeft geheten, terwijl de naam van het dorp oorspronkelijk: ‘Gebrook, Gebroek, Ingenbrouck’ luidde in overeenstemming met zijn ligging in het broek, een drassig/moerassig gebied, in de beemden bij de genoemde beken. Lang nadat het geslacht Hoen heerlijke rechten had verworven over ‘Gebrook", dat voor 1388 bij Heerlen behoorde, kreeg dit gebied, dit broek van de Hoens, de naam ‘Hoensbroek’ en noemde omgekeerd het geslacht Hoen gevestigd op ‘Gebrookhoes’ zich ter onderscheiding van andere takken Hoen zu Broeck of van Hoensbroeck.Bouwgeschiedenis kasteel Hoensbroek
Bij restauratiewerkzaamheden van het Kasteel is men gestoten op de funderingen van vijf duidelijk te onderscheiden bouwwerken en bouwperioden van het slotgebouw. De bouwperioden op een rij:
1 – de restanten van de stercke huyssinge van ca. 1250.
2 – de ronde toren, restant van een bouwwerk van ca. 1360.
3 – de uitbreiding met de rechterfronttoren uit ca. 1500.
4 – de grote verbouwing van 1643.
5 – de modernisering van ca. 1720.
1 – De restanten van de stercke huyssinge van ca. 1250 Het binnenplein van het slotgebouw is de plek waar het Gebrookhoes is ontstaan. De dit binnenplein omringende muren zijn opgetrokken op de fundamenten van een gebouw dat de grootte had van het binnenplein ( 18,85 meter breed en bijna 16 meter diep). Op de oosthoek was het geheel vermoedelijk extra versterkt door een zware toren en vanuit de kelders was dit versterkt huis verdedigbaar door middel van schietsleuven. Op minstens drie plaatsen in de fundamenten zijn wigvormige schietsleuven gevonden. Boven deze schietsleuven werden restanten ontdekt van een gewelfaanzet, waaruit valt op te maken dat de kelders overwelfd waren. Op het binnenplein werd ook een oude waterput ontdekt. Kortom het eerste Gebrookhoes stellen wij ons voor als een rechthoekig blok opgetrokken in geelgrijze Kunradersteen. De fundamenten zijn 1 tot 1 1/5 meter dik. De muren zouden niet zo dik zijn geweest maar het geheel zou wel een forse indruk hebben gemaakt.


De bewoners
In deze vesting werd Herman Hoen in 1388 de eerste heer van Hoensbroek. Hertogin Johanna van Brabant schonk hem het dorp Hoensbroek voor zijn bewezen diensten. Hoensbroek werd daardoor afgescheiden van de Bank van Heerlen en een zelfstandige Heerlijkheid. Herman Hoen van den Broeck was een figuur van betekenis in het Brabantse gebied. Zijn kasteel was een voorpost ter verdediging van de Brabantse grenzen. Deze heer van Hoensbroek, schout van Maastricht, raadsheer van de hertogin van Brabant, gehuwd met Caecilia van Born, overleed vermoedelijk op 2 juni 1404. Zijn nazaten kregen ruzie over de gezamenlijke eigendommen van Hoensbroek. De goederen en het slot werden toen verdeeld in twee helften. Het slot werd opgedeeld in het nieuwe gedeelte en het oude gedeelte. De afstammelingen werden aangeduid als de ‘de Hoens van de Zaal’ en ‘de Hoens van de Keuken’.
2 – De ronde toren, restant van een bouwwerk van ca. 1360
De tweede fase van het Gebrookhoes is tot stand gekomen omtrent 1360. Hiervan resteert slechts de ronde toren of donjon. Naast de ronde toren ontstond in deze bouwfase een rechthoekige burcht, die uitwendig ca. 17,50 meter lang en 11,50 meter breed was en aansloot tegen de westelijke gevel van de oude stercke huyssinge. De gevonden fundamenten hebben een dikte van 2,35 meter , terwijl de muren van de ronde toren een dikte kregen van ca. 3 meter In de dertiger jaren tijdens de restauratie hebben deskundigen van de monumentzorg de volgens mening gevormd over de bouw van het middeleeuws gedeelte van het kasteel; ‘De zware hoektoren heeft een gesloten karakter en is opgetrokken uit baksteen – 28 x 14 x 7 – op een fundering van mergel. Een zelfde mergelfundering bevindt zich onder de muren van de aangrenzende woonvleugel. Het muurvlak wordt onderbroken door schietsleuven met ronde middengaten in Kunradersteen en enige tussendorpelvensters met geblokte omlijstingen. De torenspits was oorspronkelijk een open weergang met kantelen. Enkele uitgebouwde gemakken zijn hersteld bij de laatste restauratie. Onder in de ronde hoektoren bevindt zich een cel, overdekt door een balkenzoldering; daarboven een ruimte met kopelgewelf, die evenals de hogere ruimten door een in de muur uitgespaarde wenteltrap bereikbaar is. Een eveneens in de muur uitgespaarde vluchttrap is bij de restauratie in ere hersteld. De wangen der zeer diepe vensters zijn van nissen voorzien. De ronde hoektoren en de 2 a 2,35 meter dikke mergelfunderingen onder de 18e eeuwse woonvleugel stammen hoogstwaarschijnlijk van een vergroting, die Herman Hoen heeft uitgevoerd. De door sommigen op grond van de ‘jaarringen’ in het torenmetselwerk aangenomen bouwtijd tussen 1680 en 1686 staat niet vast. Een bouwtijd na 1374 zou niet uitgesloten zijn. Door het ontbreken van archiefmateriaal en niet duidelijk zijnde aanwezig archiefmateriaal kan niet achterhaald worden wanneer de tweede bouwfase van het kasteel precies is begonnen.

3 – De uitbreiding met de rechterfronttoren uit ca. 1500
De deskundigen van monumentenzorg zijn van mening dat bij de bouw van de huidige rechterfronttoren gebruikte bakstenen van hetzelfde formaat en baksel zijn als die welke bij de rest van de modernisering (ca. 1720) zijn gebruikt. Ze gaan er derhalve van uit dat de rechter toren uit de vijfde bouwfase stamt en dat alleen de fundamenten nog resteren uit de derde bouwfase.
De bewoners
Wolter Hoen, was zijn vader (Herman III) in 1543 opgevolgd, maar kinderloos gebleven.
Bij zijn dood in 1576 werd hij als heer van Hoensbroek opgevolgd door zijn broer
Godart. De zoon van Godart, Ulrich, heer van 1584-
4 – De grote verbouwing van 1643
De vierde bouwfase heeft in grote lijnen het cachet van het huidige gebouwencomplexbepaald
zoals het er nu nog uitziet. Uit deze vierde bouwfase dateert niet alleen ongeveer
driekwart gedeelte van het herenhuis maar bovendien het poortgebouw met een nieuwe
brug, de linkerfronttoren, de oostelijke vleugel en de daaraan grenzende grote vierkante
toren, die een spits kreeg in de stijl van die tijd, en tenslotte de zuilengalerij.
Ook de bijgebouwen, pachterswoning, koetshuizen, paardestallen, schuren en poorthuizen
en nog twee bruggen over de grachten werden gebouwd. De architect van deze bouwfase
was Maître Matthieu Dousin. Uit historisch onderzoek is gebleken dat met de bouw
is begonnen in 1640. Voordat er met de bouw van het herenhuis kon worden begonnen
moest het in de weg staande gebouw, de oude bouw vulde in 1643 nog het huidige binnenplein.
Betalingen in verband met de afbraak worden gemaakt in maart en begin juni 1643,
waar uit afgeleid kan worden dat men toen met de afbraak bezig was. Met de eigenlijke
bouw van het herenhuis werd begonnen op 8 juni 1643. De bouw van het herenhuis werd
voltooid in 1656. In tegenstelling tot de ander bouwfases kan over de vierde bouwfase
een nauwkeurige datering gegeven worden. De heer Adriaan van Hoensbroek, heer van
1631-

De bewoners
Adriaan, baron Hoen van Hoensbroek, had zijn vader in 1631 opgevolgd (1631-

5 – De modernisering van ca. 1720
Aan de zuidoostkant van deze toren is op ongeveer 1.70 meter beneden de vloer van dehuidige parterre een spitsboog aangetroffen. Uit welke tijd de fundamenten komen is vanwege het gebrek aan historische gegevens niet meer te achterhalen. Ook hebben de schrijvers in de archieven geen spoor van bouwactiviteit omtrent de toren kunnen vinden. De schrijvers zijn van mening dat de toren is ontstaan in de periode waarin het kasteel door de ‘verdeelde’ familietakken werd bewoond, dus vanaf het midden van de vijftiende eeuw tot het einde van de zestiende eeuw. Een precieze datering is niet mogelijk. De oorspronkelijk rechterfronttoren is vermoedelijk blijven bestaan tot na 1717. In 1717 stortte de middeleeuwse vleugel van ca. 1360 in , behorende bij de nu nog bestaande ronde toren. Bij de heropbouw van dit gedeelte (ca. 1720) werd dan ook de vermoedelijk toen gesloopte rechter fronttoren uit de derde bouwfase betrokken en aangepast aan de modernere architectonische opvattingen van de 18e eeuw. De kapel onder de galerij op het binnenplein is ook tot stand gekomen in deze fase. De ruimte heeft tussen 1643 en 1720 een andere bestemming gehad. De kapel was vroeger gevestigd in het in 1717 ingestorte middeleeuwse slot, het altaar was daar ingebouwd ‘in de muur van de alde sael’. Oude burchten werden omgebouwd in kleine paleizen met veel lichtinval, welke luchtiger, zonniger en speelser aandeden.
De bewoners
Terwijl Johan Willem Adriaan nog tot 1735 leefde op Schloss Haag, was de oudste zoon Frans Arnold Adriaan Jan Philip, reeds in 1713 een man van gewicht in de politiek. Hij was het die bij de vrede van Utrecht de Oostenrijkse belangen in deze contreien behartigde. Omstreeks 1720 huwde hij Anna Catharina van Schönborn en vestigde zich omstreeks dat jaar op zijn stamslot te Hoensbroek. In 1733 werd hij tot Rijksgraaf verheven en Kasteel Hoensbroek omstreeks 1725 geschiedenis bekleedde o.a. de waardigheid van geheimraad van zijne keizerlijke en koninklijke majesteit. Zijn echtgenote, Anna Catharina Sophia, rijksgravin van Schönborn, schonk hem 24 kinderen, waarvan er 23 met doopnaam bekend zijn. Frans Arnold Adriaan schijnt evenals zijn vrouw in het dorp Hoensbroek zeer geliefd te zijn geweest. Zijn zoon en opvolger Lotharius Frans Hyacinth Victor was Hoensbroeker in de dubbele betekenis van het woord. Hij werd er geboren en getogen. Nadat hij bij de dood van zijn vader in 1759 zijn titels, waardigheden en functies had overgenomen, huwde hij in 1762 Sophia Charlotta Maria Catharina Walburgis, rijksgravin van der Leyen en Hohen Gerolsegg. Evenals zijn ouders woonde hij met zijn jonge gemalin op het stamslot. Na 1776 is er een einde gekomen aan de permanente bewoning van het kasteel. Sindsdien vertoefde het geslacht Hoensbroek nog slechts bij tijd en wijle op hun stamslot. Lothar Frans bewoonde het slot wanneer hij niet op reis was en overleed als laatste heer van Hoensbroek in het kasteel in 1796. Clemens Wenceslaus Johan Baptist, de zoon van Lothar Frans, geboren in 1776, was gehuwd met Alexandrina Maximiliana baronesse van Loe tot Wissen. Hij heeft vermoedelijk bij het naderen van de aardsvijandige republikeinen met vele andere edelen de wijk moeten nemen naar de overzijde van de Rijn. (1789 Franse Revolutie) In 1795 immers werden door het nieuwe regiem de oeroude adellijke en heerlijke rechten weggevaagd. Hij overleed op 14 oktober 1844 in Keulen. In Schloss Haag en op de kastelen Turnich en Kellenberg in het Rijnland wonen nu nog afstammelingen van de Hoensbroekse adellijke familie. Nadat het kasteel op het einde van de 18e eeuw min of meer onbewoond werd achtergelaten, brak met de 19e eeuw een tijdperk aan van verval. Waarschijnlijk in 1820 ging de toren van het tweede poortgebouw verloren. In 1899 stortte de achtergevel van de zuidelijke hoektoren in, terwijl de in 1925 de binnenste slothoeve door brand werd verwoest. In de 20e eeuw werd het gehele gebouwencomplex gekocht door de Hoensbroekse pastoor Röselaers voor het bedrag van Hfl. 65.000. De pastoor had de stichting Ave Rex Christe in het leven geroepen die als doel had het bewaren van Kasteel Hoensbroek. In de jaren 1930 tot 1943 zijn het kasteel en de economiegebouwen ingrijpend gerestaureerd onder leiding van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg.
Van 1943 tot 1946 heeft het kasteel onderdak geboden aan voogdijkinderen komende uit een huis in Velsen (NH), onder de leiding van de Congregatie van de zusters van het arme kind Jezus. Nadien is het gehele complex door de Stichting Ave Rex Christe verhuurd aan de Staatsmijnen in Limburg.
Van 1951 tot 1973 heeft de schrijver Bertus Aafjes in het slotgebouw gewoond.
Sinds 1968 is Kasteel Hoensbroek verhuurd aan de voormalige gemeente Hoensbroek. Bij de gemeentelijke herindeling van 1982 is het huurcontract overgenomen door de gemeente Heerlen.

Plattegrond Hoensbroek
Hieronder enige interieur opnames

