Jan Jacobszoon Huydecoper, een rijke Amsterdamse koopman, kocht in 1608 de bij Maarssen
aan de Vecht gelegen hofstede “De Gouden Hoff”. Zijn zoon Joan, ook vermogend, bewindvoerder
van de Oost-Indische Compagnie en burgemeester van Amsterdam, liet op deze plaats
in 1628 het nieuwe buiten “Goudestein” optrekken, een van de eerste aan de Vecht.
Deze “hofstede met stedelijke elementen” werd in het midden van de 18e eeuw door
zijn kleinzoon, ook Joan geheten, en na het overlijden van zijn eerste vrouw Agatha
Reael gehuwd met Sophia van de Muelen, gesloopt om het te vervangen door een groot
“moderne” gebouw van het type stadhuis-buiten. In 1754 werd door de 10 jarige zoon,
Willem Huydecoper de eerste steen gelegd, waaraan een blauwe gevelsteen in de zijgevel
nog herinnert. Sophia woonde meer dan 25 jaar op Goudestein en beschikte bij testament
dat na haar dood, in 1779, het huis niet buiten het geslacht Huydecoper mocht vererven.
Rond 1860 werd het huis bewoond door alweer een Joan. Deze was burgemeester van Maarssen
en gehuwd met Louise Antoinette Jonkrvrouwe Ram. Hun alliantiewapen bevindt zich
nog steeds boven de ingangspartij aan de Vechtzijde. Tot 1938 bleef het huis bewoond
door de familie Royaards-Huydecoper. Na het overlijden van de weduwe L.J. Rooyaard-Huydecoper
kwam het pand leeg te staan.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd het in de meidagen van 1940 eerst betrokken door
Nederlandse soldaten, daarna werd het achtereenvolgens in beslag genomen door de
Nederlandse arbeidsdienst voor meisjes, de Landwacht en tenslotte de SS-troepen.
Na de capitulatie gebruikten de Engelsen en Canadezen het gebouw. Daarna deed het
tot 1959 dienst als rijksinternaat voor sociale jeugdzorg. Na een grondige restauratie
in de jaren 1960 en 1961 werd Goudestein in 1961 in gebruik genomen als gemeentehuis.
In 1961 en 1962 werd het koetshuis gerestaureerd en in 1977/1978 de trouwzaal. In
het koetshuis is het Nederlands Drogisterij Museum gevestigd. Het bezit tienduizenden
artikelen uit de rijke historie van de Nederlandse drogisterijbranche. In het museum
staan ongeveer 150 gapers. Deze zijn van oudsher het symbool van de drogisterij.
Als blikvanger hangt in het museum de grootste gaper ter wereld. Hij is ongeveer
2 meter hoog.
Al spoedig werd Goedestein te klein als gemeentehuis en werd er een nieuw administratiekantoor
gebouwd. In Goudestein bleven alleen nog maar de raadszaal, de trouwzaal en de kamers
van burgemeester en wethouders gehuisvest.
Goudestein heeft een vierkant grondplan, een afgeplat schilddak met blauwe pannen
met op de vier hoeken schoorstenen met winkappen en windvaantjes. Het is drie-beukig
huis. Het bestaat dus uit een smal middengedeelte met een centrale gang, met aan
weerzijde twee brede zijbeuken met vertrekken. In het souterrain, met zes-ruits draaivensters
met luiken, waren de keuken, de spoelkeuken en de was- en strijkkamer. Aan de noordzijde
van het huis bevindt zich het trappenhuis, de diensttrap ligt in de zuidoost hoek.
Op de bel-etage bevinden zich de belangrijkste ruimtes, zoals het “Groot Salet” waar
de oorspronkelijke bewoners hun bezoekers ontvingen en diners gaven. De andere ruimtes
op deze etage werden door de Huydecopers als dagelijkse zitkamers gebruikt. De bel-etage
heeft 45-ruits schuifvensters. Op de eerste etage met 35-ruits schuifvensters, bevond
zich de “bedkamer” van de Huydecopers. De andere ruimtes waren slaapkamers voor familieleden.
De zolder diende voor het drogen van de was, het opbergen van huisraad. Ook waren
er enkele slaapplaatsen voor het personeel.