

specials:
©2010 Guus
Pauwels
Disclaimer
bezoeker
Laatste update
21 maart 2012



Broekhuizen
Broekhuizerlaan 2
3956 NS Leersum
Provincie Utrecht
De geschiedenis van kasteel Broekhuizen gaat terug tot de 13e eeuw. In Stichtse oorkonden van die tijd komen al personen voor met de naam Broechusen. Het is mogelijk dat telgen uit dit Geldersche geslacht `Van Broechusen` land in leen kregen van de domproost en bisschop van Utrecht. Van een kasteel werd pas rond 1400 gesproken. In 1408 werd het kasteel dat in bezit was van de heer van Gaesbeek en Abcoude, met 4 morgen land in leen gegeven aan Tyman van Zuylen.
In 1452 verkocht Jacob van Gaesbeek aan Willem van Gent. Op zijn beurt verkocht deze het weer door aan Jacob de Roye. Erfdochter Feye de Roye deed het kasteel rond 1460 van de hand en de nieuwe eigenaar werd bisschop David van Bourgondiè. De bisschop schenkt het goed, dat volgens de akten nog steeds een leen van Abcoude is, aan dienaar en kamerling Jan van Auxy. Vervolgens kwam het leengoed in handen van de familie van Oostrum, door huwelijk van erfdochter Heylwick van Meerten met Dirk van Oostrum. Door vererving kwam Willem van Oostrum, schout van Wijk bij Duurstede, in 1628 in het bezit van het kasteel, Een jaar later werd Broekhuizen erkend als ridderhofstad.
De oudste afbeelding van het kasteel is van Roelant Roghman uit 1646. Op deze afbeelding is een onduidelijk gebouwencomplex op een omgracht terrein te zien. Het belangrijkst is een gebouw met 2 bouwlagen, dat gedekt wordt door een zadeldak. Aan de achterzijde lag een verdiepingloze vleugel. Verder zijn op de afbeelding nog twee korte verdiepingloze vleugels met zadeldak en een tweebeukig gebouw met trapgevels te zien. De vorm van het hoofdgebouw en de twee zijvleugels wijzen op een datering van ca 1630. Dit komt overeen met uit de archieven beschikbare gegevens: rond 1630 werd namelijk door Willem van Oostrum een nieuw huis gebouwd.
In 1667 kwam het huis in bezit van de familie Van Arkel. De laatste eigenaar uit deze familie is Otto van Arkel die in 1709 sterft. Een boedelinventaris uit 1725 dat werd opgemaakt na het overlijden van de weduwe van Rudolf van Arkel geeft een gedetailleerde beschrijving van de indeling en de inboedel van het huis.
In het huis bevond zich een eetkamer (met een koffietafel, een eiken eettafel met daarop een tapijt, een armstoel en een vuurscherm gevuld met 3 kussens), een middelkeuken (bewaarplaats van huisraad: tafels, houten banken, een kannenrek en een linnenkast met glazen), een kamertje naast de middelkeuken (met een grote weegschaal en allerhande rommelarij), een grote keuken en een voorzaal. De voorzaal was een representatief vertrek met veel schilderijen. O.a. een historische voorstelling van het huis te Britten of Brittenburg bij Katwijk; in de 17e eeuw waren bij eb resten van het kasteel te zien op het strand van Katwijk. Op deze verdieping bevond zich ook nog een slaapkamer met een ledikant, een slaapbank, een spiegel, een tafel, een toilettafel met spiegel, een kabinet en vele schilderijen. Bovendien beschikte deze kamer over een open haard en was er gelegenheid voor een partijtje dammen in een luie stoel. Verder bevonden zich in het huis het grote salet en een kinderkamer. Op de bovenverdieping bevond zich een kamer boven de kinderkamer en een verwarmd en volledig ingericht vertrek boven de slaapkamer van de heer des huizes. En verder een paviljoenkamertje, een kraamkamer, een klerenzolder met gereedschap, een ruimte boven de eetkamer met rommel en nog 2 vertrekken.
Kort na 1725 werd het huis waarschijnlijk ingrijpend gewijzigd. Op afbeeldingen van Cornelis Pronk uit 1731 en Jan de Beijer uit 1744 is een hoofdgebouw te zien dat is verlengd en veranderd tot een blokvormig rechthoekig breed maar ondiep gebouw met een schilddak, voorzien van schoorstenen. De stijl van dit huis lijkt op de Lodewijk XIV stijl en het huis heeft een symmetrisch ingedeelde voorgevel. Deze twee kenmerken duiden ook op een verbouwing uit het begin van de 18e eeuw. Het nieuwe huis heeft 3 verdiepingen en rond de ingang staan 4 Ionische zuilen.
Cornelis Jan, heer van Nellesteyn, werd in 1793 de nieuwe eigenaar. Hij liet een nieuwe landhuis bouwen in een neoclassicistische stijl in een groot landschapspark. In 1810 blewek het te klein en werd er wederom verbouwd. De heer van Nellesteyn woonde er met zijn vrouw en een groot aantal kinderen. Na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwde hij met zijn huishoudster. In de ogen van zijn kinderen vond dit geen genade, omdat adellijke mensen in die tijd niet beneden hun stand huwden De heer van Nellesteyn liet daarom vlakbij het oude kasteel een nieuwe woning bouwen, waar hij met zijn tweede vrouw met wie hij ook een groot aantal kinderen kreeg, ging wonen.
Ter genoegdoening besloot de heer van Nellesteyn een familiegraftombe te bouwen op de vlakbij gelegen Donderberg (genoemd naar Donar). De Donderberg lag op één van de zichtassen van het kasteel, waardoor zijn kinderen uit het eerste huwelijk voortaan elke dag tegen hun eigen graf aan moesten kijken.
Vanaf 1897 is het kasteel in bezit van de familie Pauw van Wieldrecht. In de nacht van 5 op 6 oktober 1906 ging het kasteel in vlammen op, doordat een gordijn vlam vatte, nadat het met een lamp in aanraking was gekomen. Gelukkig bleven veel schilderijen bewaard. Het huis werd in de oude vorm, maar iets eenvoudiger, herbouwd. In 1971 werd het kasteel verkocht aan het Rijk en werd er het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in gevestigd.




|
Noorderbreedte Oosterlengte |
51° 28′ 58″ N 6° 9′ 20″ E |