Kastelen & buitenplaatsen in Nederland
Guus Pauwels

Laatste update

12 mei 2017

Bezoeker

Kastelen in Zuid Holland

Het woord kasteel komt van het Latijnse woord castelum, dat zoveel betekent als: kleine (Romeinse) legerplaats. In de middeleeuwen werden namen als borch, veste en starke gebruikt, om gebouwen aan te geven die wij nu kasteel noemen. De definitie van kasteel is: een versterkte middeleeuwse residentie van een in omvang beperkte groep mensen. Deze groep mensen stond in een afhankelijkheidsrelatie tot een persoon of instelling. De bewoners behoorden tot de adel of waren bestuursambtenaren die het kasteel beheerden in opdracht van de graaf of kerkelijke instelling. Een kasteel werd gebouwd en gebruikt in de periode vanaf  900 tot het 3e kwart van de 16de eeuw. Afhankelijk van de wensen en financiële middelen van de bouwheer kreeg het kasteel een puur defensief karakter, een overwegend luxe woninginrichting, of iets daar tussenin. In de loop der tijd kwam het accent steeds meer op het wooncomfort te liggen en werd verschil met buitenplaats steeds kleiner.

Ringwalburchten (circa 875-1100)
De oudste kasteelvormen langs de Hollandse en Zeeuwse kust zijn de ringwalburchten. Ringwalburgen zijn ronde verdedigingswerken, opgebouwd uit kleiplaggen, zand en hout in diameter variërend van 144 tot 265 m. De ringwalburgen ontstonden in de 9e en 10e eeuw door de invallen van de Noren en de Vikingen. Je vindt deze burchten dan ook langs de hele kust van noord-west Europa . In Nederland zijn deze vooral geconcentreerd in Zeeland, op de Veluwe en in de Achterhoek. Een voorbeeld van zo'n ringwalburg is te vinden in Burgh op Schouwen in Zeeland. In Zeeland waren er 5 mogelijk 6 ringwalburgen. Op de Veluwe kennen we er ook twee: De Duno en de Hunnenschans. Deze burgen zijn eigenlijk geen kastelen, zij werden namelijk niet permanent bewoond. Het waren toevluchtsoorden in tijden van oorlog. Het worden dan ook wel communale versterkingen genoemd. Deze ringwalburgen behoorden tot het centrale gezag.

Grafelijke residenties
Sinds 895 had de Hollandse graaf Dirk II de keizerlijke goederen tussen de rivieren de IJssel en de Lier in bezit gekregen en waren allerlei Koninklijke rechten aan hem overgedragen, waaronder het recht om versterkingen te bouwen. In die periode had de graaf van Holland nog geen vaste residentie, maar reisde met zijn gevolg door zijn territorium. Uit de 12de en 13de eeuw zijn er plaatsen bekend die de graaf als min of meer vaste woonplaats hebben gediend. Het Binnenhof te Den Haag was er daar een van. Het groeide later uit tot de vaste residentie van de graaf.

Mottekastelen (1000-circa 1270)
Dit type kasteel komt in Europa vanaf de 11de eeuw voor. Het is een kunstmatige heuvel (motte) met een regelmatige vorm en steile zijden die gewoonlijk door een natte of droge gracht wordt omgeven. Op de afgeplatte top van de heuvel staat een versterking, aanvankelijk een houten toren omgeven door een houten palissade. De houten opbouw op de mottes werden later vervangen door torens van natuur- of baksteen, met of zonder een ringmuur. In Zuid-Holland hebben ten minste 22 mottekastelen gelegen. Voorbeelden van grote mottekastelen in Zuid-Holland zijn de Leidse burcht en de burcht van Oostvoorne.

Ronde, ovale en veelhoekige kastelen
Aan het einde van de 12de eeuw werd het dure natuursteen als bouwmateriaal vervangen door het goedkopere baksteen. Dit maakte het betaalbaar om grotere kastelen te bouwen met ruimere woonvertrekken. Nadeel was dat deze zware constructies moeilijk konden worden gebouwd op een opgeworpen heuvel.

Bij de hoge adel werden vanaf het begin van de 13de eeuw de mottekastelen getransformeerd in een nieuw type kasteel dat nog wel de ronde vorm met de mottekastelen gemeen had. Het ronde kasteel evolueerde in de loop van de tweede helft van de 13de eeuw in een veelhoekig kasteel, wat tot voordeel had dat de flanken beter konden worden verdedigd. Tegen de binnenzijde van de ringmuur kon een royaal woongebouw worden opgetrokken. Voorbeelden van dergelijke kastelen in Zuid-Holland zijn Teylingen in Voorhout, Oud Teylingen in Warmond, Ter Does in Leiderdorp en mogelijk Groot Poelgeest bij Koudekerk aan den Rijn.

Vierhoekige kastelen
Het vierhoekige kasteeltype komt voor vanaf ongeveer 1275. Het heeft in zijn zuiverste vorm een rechthoekige plattegrond met op elke hoek een uitspringende toren ter verdediging van de flanken. De woongebouwen waren in de regel tegen de binnenzijde van de ommuring gebouwd, meestal tegenover de ingang. Het oudste rechthoekige kasteel in Zuid-Holland is het Huis te Riviere te Schiedam dat tussen 1268 en 1275 werd gebouwd. Andere kastelen in Zuid-Holland die volgens het principe van het vierkante kasteel werden gebouwd waren het kasteel van Gouda (1361-1384) en Huis te Merwede bij Dordrecht(14de eeuw).

Woontorens, zaaltorens en compacte zaaltorenkastelen
De simpele woontoren is voor de lage adel de opvolger van het kleine mottekasteel. In tegenstelling tot een mottekasteel, staat de woontoren of donjon niet meer op een heuvel, maar op een eiland omgeven door een gracht. De toren werd – zeker na 1200 – gebouwd uit bakstenen. Soms bleef het kasteel beperkt tot de woontoren. De gebruikelijke vorm van de woontoren is vierkant of rechthoekig. Huis Dever te Lisse wijkt met zijn D-vormige plattegrond hiervan af.

In enkele gevallen werd bij de bouw van de woontoren al geanticipeerd op uitbreiding. Het eiland waarop de woontoren werd gebouwd, is dan aanzienlijk groter dan de woontoren zelf. De donjon werd dan niet in het midden van het eiland geplaatst, maar op een van de hoeken, zodat er volop ruimte overbleef om gebouwen toe te voegen. Een voorbeeld van een dergelijke bouwvorm is het Huis te Warmond (1362 of eerder).

Indien de woontoren meer dan een vertrek per verdieping had, wordt gesproken van een zaaltoren. Een voorbeeld  hiervan is kasteel Heenvliet. Dit bestond sinds 1260 uit een rechthoekige zaal. Op de hoeken van de zaal stonden ronde hoektorens. In de 14de eeuw werd de gracht aan een zijde uitgelegd en werden er vleugels rond een binnenplein tegen de toren aangebouwd, waardoor een zogeheten compact zaaltorenkasteel ontstond. Dit is het compromis tussen het rechthoekige kasteel dat de hoge adel en de landsheren zich konden permitteren en de simpele woontoren van de lage adel.

Omgrachte adellijke huizen
De overgang van de verdedigbare kastelen naar de niet meer reëel verdedigbare omgrachte woningen van edelen was een geleidelijke. De edelen gingen door met het bouwen van omgrachte huizen en het aanbrengen van elementen waar de kastelen hun verdedigbaarheid aan te danken hadden gehad, maar vanuit militair-defensief oogpunt stelde het weinig meer voor. Elementen als arkeltorens, weermuren, hoektorens en dergelijke werden als statusverhogend beschouwd en nog slechts als versieringsornamenten aangebracht, waardoor het uiterlijk van de omgrachte huizen een gelijkenis ging vertonen met de echte kastelen uit de 13de en 14de eeuw. Bovendien begon men op bouwkosten te besparen door de muren minder dik uit te voeren. ‘Kastelen’ met deze kenmerken worden wel coulissenkastelen genoemd.

Historische landgoederen en buitenplaatsen

Een historisch buitenplaats is een eenheid van een historisch landhuis (soms een kasteel) met bijgebouwen, waterpartijen, tuin en park. Soms vormt een buitenplaats de kern van een uitgestrekt landgoed. Met de term buitenplaats worden in het algemeen die complexen van huis en omgeving aangeduid die vooral vanaf de 16de eeuw tot stand kwamen en waarbij het huis speciaal voor de genoegens van het landleven was bestemd. Daarnaast kan het begrip ook slaan op oudere objecten, zoals middeleeuwse kastelen, die in later tijd de functie van buitenplaats kregen en hun defensieve karakter verloren.

Bij het functioneren vervulden nutsaspecten van een buitenplaats een grote rol. Verreweg de meeste buitenplaatsen hadden een agrarische en soms een industriële bedrijfsvoering als achtergrond. De stichting van een buitenplaats betekende voor de eigenaar niet alleen het creëren van de mogelijkheid van de rust en de landelijke omgeving te genieten en als statussymbool, maar tevens om het beheer te voeren over de aan de buitenplaats verbonden agrarische of industriële bedrijvigheid.

Oorsprong en ontwikkeling

De buitenplaats in Zuid-Holland is een fenomeen dat sterk met de tijd en een bepaalde bevolkingsgroep is verbonden. Vooral de burgerlijke elite, die vanaf circa 1600 een steeds belangrijkere financiële en bestuurlijke macht werd, trad als opdrachtgever voor de aanleg van buitenplaatsen op. In de 17de en 18de eeuw werd voor buitenplaats ook wel de term hofstede gebruikt. De term hofstede kan in brede zin worden opgevat als aanduiding van een agrarische beheerseenheid, dat wil zeggen een kasteel of woning van een edelman met omliggende landerijen (de ridderhofstad), ofwel een herenboerderij en/of plattelandsresidentie. Deze agrarische oorsprong van de buitenplaats (al dan niet voortkomend uit de feodale context van de middeleeuwse adellijke (ridder)hofstede) gaat voor het merendeel van de Zuid-Hollandse buitenplaatsen op. Een klein aantal buitenplaatsen kent in plaats van een agrarische een min of meer industriële achtergrond. Ook het aantal buitenplaatsen dat uitsluitend als buitenplaats is aangelegd, is klein.

Verreweg de meeste buitenplaatsen in Zuid-Holland hadden een hoeve, een agrarisch bedrijf, als historisch uitgangspunt. De aankoop van grond was een betrekkelijk veilige manier om kapitaal te beleggen en ook de opbrengst van het boerenbedrijf was niet onbelangrijk.

Niet alleen voorzag de boerderij de eigenaar in zijn behoefte aan allerlei landbouwproducten. Daarnaast diende de boer die de boerderij voor de eigenaar beheerde, pacht te betalen en verrichtte hij allerlei hand- en spandiensten. Naast deze economische aspecten speelden statusmotieven een belangrijke rol.

Had de eigenaar de economische wind in de rug, dan kon hij één of soms meer van zijn bezittingen uitbouwen tot buitenplaats. Meestal gebeurde dit op een ten opzichte van zijn vaste woonplaats gunstig gelegen locatie aan een belangrijke (water)weg. Aanvankelijk bestond de uitbreiding uit niet meer dan de toevoeging aan de boerderij van een wat rijker uitgevoerde vleugel (herenkamer). Sommige complexen kregen een recreatieve en representatieve functie. Bij voldoende financiële middelen kon de herenkamer uitgroeien tot een al dan niet met de oorspronkelijke hoeve verbonden herenhuis.

Vooral in de 18de eeuw maar ook al eerder, werd de fysieke koppeling tussen hoeve en herenhuis niet langer op prijs gesteld. Op bestaande buitenplaatsen werd een deel van het terrein afgezonderd ten behoeve van een vrijstaand herenhuis met omliggend park of de boerderij werd afgebroken en naar een andere plek op het terrein verplaatst, waarna op de oude plaats op grotere schaal een nieuw herenhuis werd gebouwd. In de directe nabijheid van de herenhuizen verrezen vervolgens bijgebouwen zoals koepel, tuinmanswoning, koetshuis met stalling en oranjerie.

Het park met bebouwing, de feitelijke buitenplaats, besloeg meestal maar een deel van het totale oppervlak van het goed. De productiegronden bleven belangrijk en waren in de regel ook uitgestrekter.

Feodale achtergrond

Slechts weinig buitenplaatsen in Zuid-Holland hebben een riddermatige achtergrond. Holland ontwikkelde zich in de loop van de 15de en 16de eeuw en vooral na de Opstand tot een burgermaatschappij. Het burgerlijke patriciaat had zich, mede door de bloeiende handel en nijverheid in deze periode, weten te emanciperen. De invloed van de Hollandse adel nam in de late 16de en 17de eeuw juist sterk af. Het platteland – de bestaansbasis van de adel – was getroffen door de Opstand en de latere landbouwcrises. Daarnaast zag de veelal katholiek gebleven adel zich geconfronteerd met een staatsbestel waarin uitsluitend plaats was voor hervormden. Omdat adelsverheffingen onder de republiek in de 17de eeuw niet voorkwamen, kon de Hollandse adel niet anders dan geleidelijk uitsterven.

Tal van heerlijkheden en andere feodale terreinen kwamen in de loop van de tijd dan ook in handen van gefortuneerde niet-adellijke regenten en burgers, die voor hun inkomsten niet van het platteland afhankelijk waren. Toch was het vooral voor lieden met topposities van het landsbestuur, katholieken en mensen die anderszins waren uitgesloten van deelname aan het bestuurlijke leven, aantrekkelijk om ‘heer van’ aan hun naam te kunnen toevoegen.

Overigens waren lang niet alle adellijke bezittingen ambachten of heerlijkheden met daaraan verbonden (heerlijke) rechten. In sommige gevallen waren de rechten die verbonden waren aan het bezit beperkt tot de zogeheten zwanendrift (het recht om een koppel broedende zwanen te houden), of jacht- en visrechten. Toch konden dergelijke complexen worden uitgebreid tot pseudo-heerlijkheid, compleet met kasteel (Huis te Schelluinen, Berendrecht te Alphen aan den Rijn).

Het was maar een kleine groep (de crème de la crème van de regentenklasse) die zich de prestigieuze weelde van een echte heerlijkheid kon permitteren. Bovendien was het aantal ten opzichte van de stadsresidentie gunstig gelegen ambachten en heerlijkheden beperkt. Een voorbeeld van zo’n gunstig gelegen hoge heerlijkheid is De Tempel in Overschie nabij Rotterdam. Men stichtte de buitenplaats toch bij voorkeur op een plaats die vanuit de permanente residentie goed bereikbaar was.

Al met al waren er in Zuid-Holland betrekkelijk weinig adellijke bezittingen die tot buitenplaats werden omgevormd. De belangrijkste buitenplaatsen met een middeleeuws-feodale achtergrond die tot op de dag van vandaag als buitenplaats geheel of gedeeltelijk zijn blijven voortbestaan, zijn van noord naar zuid: Hof te Hillegom, Huis te Warmond, Oud Poelgeest en Endegeest te Oegstgeest, Ter Horst en Duivenvoorde te Voorschoten, Zuidwijck en Raaphorst te Wassenaar, Binckhorst te Den Haag, De Werve te Voorburg, Te Werve en Den Burgh in Rijswijk, het Kasteel van Rhoon, Heenvliet, Abbenbroek, ’t Hof van Assendelft te Heinenoord en ’t Hof van Moerkerken te Mijnsheerenland.

Nijverheidbuitenplaatsen

Een aantal Zuid-Hollandse buitenplaatsen had een min of meer industriële achtergrond. Op de oevers van de Rijn bevonden zich – vanwege de kleibanken aldaar –buitens waaraan steenbakkerijen waren verbonden (bijvoorbeeld Rust en Werk (Avifauna) te Alphen). Soms betrof het nijverheid die moeilijk in de stad was te bedrijven, omdat er milieutechnische bezwaren waren of omdat men veel ruimte nodig had. Zo was op de ’s Gravenhof te Kralingen in de 18de eeuw de katoendrukkerij ‘Non plus ultra’ gevestigd. De buitenplaats bood deze industrie ruime aanvoer van water en voldoende ruimte voor droogweiden e.d. Op de buitenplaats ‘In de Wereldt is veel Gevaer’ te Voorburg werd in de 18de eeuw een leerlooierij gevestigd, een bedrijfstak die vanwege de toenmalige milieuwetgeving niet in de stad was toegestaan.

Gesticht als buitenplaats

Buitenplaatsen die uitsluitend als buitenplaats werden aangelegd komen weinig voor. De economische functie is vrijwel altijd aanwezig.

Een uitzondering en daarbij één van de bekendste buitenplaatsen in Zuid-Holland is Hofwijck te Voorburg. Het buiten van Constantijn Huygens werd op de eerste plaats voor recreatieve doeleinden gebouwd.

Een andere uitzondering vormt een aantal moderne buitenplaatsen in de omgeving van Oostvoorne, zoals Het Reigersnest, Olaertsduijn en Strypemonde. Deze dienden uitsluitend als weekend- en zomerresidentie. Wel hadden de eigenaren hun buitenplaatsen juist in de kuststreek van Voorne aangelegd, om de natuur van toeristische uitbreidingen te vrijwaren.

Geografische spreiding

Het overgrote deel van de buitenplaatsen in Zuid-Holland bevindt zich in het uiterste westen van de provincie. Dit hangt samen met de aanwezigheid van strandwallen en het binnenduingebied. Deze van het noorden naar het zuiden lopende, sinds de laatste ijstijd (einde 10.000 v.Chr.) onder invloed van zee en wind afgezette zandruggen, lagen ten opzichte van de omliggende veen- en weidegebieden wat hoger en vormden zo langgerekte, vrij smalle stroken relatief droge grond. Het waren daarom van oudsher favoriete vestigingsplaatsen.

Aan en gedeeltelijk op de strandwallen werden in de Middeleeuwen kastelen gebouwd. Ook de meeste oude bewoningskernen in Zuid-Holland liggen op de strandwallen. Niet alleen de bewoningskernen, maar ook het wegennet was van oudsher volledig op de droge strandwallen georiënteerd. Aan de voet van de strandwallen en in de lager gelegen, venige strandvlaktes tussen de strandwallen waren wateringen aangelegd. Deze waren in eerste instantie gegraven ter afwatering van het gebied, maar groeide later uit tot belangrijke transportwegen, zoals bijvoorbeeld de Vliet.

Vanuit Leiden en Den Haag waren de op de strandwallen liggende dorpen gemakkelijk te bereiken en het is dan ook niet vreemd dat langs de transportroutes in de loop van de 17de en 18de eeuw talrijke buitens werden gesticht. Zo bepaalden linten van buitenplaatsen het aanzien van dit deel van het Zuid-Hollandse landschap.

In het zuiden van Zuid-Holland ontbreken de strandwallen, maar is er sprake van een jonger duinlandschap. Ook het westelijke uiteinde van het land van Voorne is dus wat hoger gelegen, wat aanleiding was voor het vestigen van buitenplaatsen aldaar.

Andere favoriete plaatsen voor de vestiging van buitenplaatsen waren de oeverwallen langs de rivieren. Deze oeverwallen waren ontstaan doordat de rivieren onder invloed van de seizoenen op gezette tijden buiten hun oevers traden en dan telkens een laagje klei afzetten. Deze sedimenten lagen ten opzichte van de veengebieden in de regel wat hoger.

Door de aanwezigheid van oeverwallen werden op de oevers van de Rijn tussen Leiden en Alphen talrijke buitens gevestigd. Alleen in Alphen waren er rond 1900 al 46. Van deze concentratie is helaas maar weinig overgebleven. In Leiden zijn Rhijnhof en Buitenzorg voorbeelden van op stroomruggen gelegen buitens. Ook langs andere rivieren zijn concentraties aan te wijzen. In Rotterdam bevond zich reeds in de 18de eeuw een aanzienlijke hoeveelheid buitens langs de Nieuwe Maas. Dijkzicht, De Heuvel en Schoonoord zijn hier restanten van. Op plaatsen waar geen duinruggen en strandwallen of stroomruggen waren, maakte men gebruik van andere natuurlijke verhogingen in het landschap, zoals donken, in de ijstijd door wind opgestoven duinen, zoals bijvoorbeeld Huys ten Donck.

Tuin- en parkaanleg

In de Middeleeuwen waren de meeste tuinen rond kastelen min of meer utilitair van karakter. De opbrengst van productiegronden was immers een belangrijke inkomstenbron van de eigenaar. Sieraanleg kwam, voor zover bekend, weinig voor. De verschillende terreinen, weiden, bos, boomgaarden en moestuinen waren op doelmatige wijze rond het huis aangelegd (bijv. Huis te Warmond).

Formele stijl

Al in de 16de eeuw worden tegelijkertijd met de veranderingen in de architectuur van huizen op het platteland de omliggende terreinen steeds meer bij de vernieuwing betrokken. Hoewel geen van dergelijke tuininrichtingen bewaard is gebleven, is de ontwikkeling waar te nemen op kaarten van bijvoorbeeld Jacob van Deventer van rond 1560. Rondom verscheidene kastelen geeft hij het grondplan van een geometrische aanleg weer die samenhangt met de ligging van het huis.

In overeenstemming met de ontwikkelingen in de 17de-eeuwse architectuur werden de tuinen evenwichtiger van opbouw en werd gepoogd de diverse onderdelen waaruit de tuinaanleg was samengesteld, ondergeschikt te maken aan een compositorisch plan. Aan deze aldus ontstane classicistische tuinstijl lagen diverse invloeden ten grondslag, waardoor deze tuinstijl de nodige gezichten heeft gekend.

Van verschillende buitenplaatsen is bekend dat zij in het tijdvak tussen 1620 en 1680 een classicistische tuinaanleg kregen (Duivenvoorde te Voorschoten, Zorgvliet en Ockenburgh te Den Haag en Keukenhof te Lisse). Op enkele rudimenten in de vorm van lanen en waterpartijen na is van deze classicistische tuininrichtingen niets bewaard gebleven.

Landschapsstijl

In de loop van de 18de eeuw raakte men uitgekeken op de stijve, geometrische tuinen met hun geschoren hagen, hun rechte lanen en hun symmetrische opzet waarbinnen alles zijn logische plaats had. Men ervoer die stijl steeds meer als ouderwets en onnatuurlijk, terwijl de overladen decoratie van bosketten en compartimenten als gekunsteld werd beschouwd. Dit was niet de manier waarop men de natuur moest beleven: men zocht een nieuwe weg waarop de natuur de kunst de hand kon reiken en omgekeerd.

Het was een heel ander landschap dat nu werd nagestreefd en dat tot in onze tijd het beeld van talloze buitenplaatsen zou gaan bepalen: grazige weiden, omzoomd door golvende bosranden vervingen de vierkante, rechthoekige, ronde of ovale kabinetten in de bosketten van de oude geometrische tuinen. In plaats van de met passer en meetlat uitgezette vijvers in allerlei vormen legde men nu waterpartijen met een grillig oeververloop aan. Deze werden gevoed door slingerende beekjes. De grond die bij het uitgraven van de vijver was vrijgekomen, gebruikte men om heuvels op te werpen. Zeker in het westen, waar parken en tuinen op het vlakke land werden aangelegd, betekende dit een hele ingreep. Wanneer de buitenplaatsen langs de binnenduinrand lagen, liet men zich bij voorkeur leiden door de aard van het terrein.

De nieuwe ideeën werden voor het eerst in Engeland toegepast, in de jaren rond 1720. Er werden niet alleen klassieke bouwwerken in parken opgericht. Ook verwijzingen naar andere tijden en verre landen werden in de tuinen verwerkt, zoals ruïnes van middeleeuwse kastelen, Chinese paviljoens en Turkse tenten. Het pittoreske karakter van dergelijke tuinen werd onderstreept door het gebruik van verschillende soorten bomen, die soms in groepjes en soms solitair waren geplant. Ook qua vorm en kleur van de beplanting werd dit nagestreefd. In deze tijd kwamen de rode beuk, de Italiaanse populier – een substituut voor de zuidelijke cipres – de treurwilg en allerlei soorten naaldbomen in de mode.

De eerste parken in landschapsstijl in ons land waren bescheiden. Het park van Huis ten Donck was één van de eerste parken die – vanaf 1765 – in landschappelijke trant werd omgevormd. Van de tuinarchitecten heeft vooral de familie Zocher zijn sporen nagelaten, zo ook in Zuid-Holland. In de 19de eeuw kwam de landschapsstijl tot volle bloei. In Zuid-Holland werden vrijwel alle buitenplaatsen tussen circa 1780 en 1850 volledig op de schop genomen, hoewel er geregeld rekening werd gehouden met bestaande formele structuren. Vaak zijn die parken, voor zover niet aangetast door de oprukkende verstedelijking, tegenwoordig volgroeid en bieden zijn nu het beeld dat eigenaar en architect voor ogen hadden.

Rond 1870 ontstond in de tuinaanleg weer behoefte aan beslotenheid en geometrische structuren, vooral dicht bij het huis. Zo werd opnieuw de eenheid van huis en tuin benadrukt. Bij een aantal buitenplaatsen werden tuinen met buxus- en taxushagen aangelegd, geïnspireerd op de classicistische, geometrische tuinkunst. Exponenten van deze stijl waren de tuinarchitecten H. Copijn (1842-1923) en L.A. Springer (1855-1940). Van hem werden op diverse plaatsen ontwerpen in gemengde stijl uitgevoerd.

Architectuur

De bouwkunst in de 16de en de vroege 17de eeuw werd gedomineerd door een wildgroei aan decoratieve vormen. In de 17de eeuw ontstond behoefte aan een sobere en strakke architectuur die meer in overeenstemming was met de idealen van de klassieke bouwkunst. De Tien boeken over architectuur van de Romeinse bouwmeester Vitruvius (1ste eeuw v.Chr.) en de daarop gebaseerde architectuurtraktaten van 16de-eeuwse Italiaanse architecten als Alberti, Vignola, Palladio en Scamozzi, vonden gretig aftrek en werden in ons land uitgegeven. Onder invloed hiervan ontstond de bouwtrant die men later het Hollands Classicisme is gaan noemen. Overigens was er ook aanzienlijke invloed vanuit Frankrijk.

Men streefde naar een rustige monumentaliteit, waarbij de verhoudingen in de architectuur meer spreken dan de details (Hofwijck, Meerzicht, Zorgvliet, Clingendael, Oud Poelgeest, Berbice en Oostergeest).

In grote lijnen zouden deze classicistische principes het beeld van de Nederlandse landhuizen tot ver in de 19de eeuw bepalen. In Zuid-Holland zijn de meeste landhuizen dan ook eenvoudige, min of meer blokvormige gebouwen, voorzien van een souterrain met daarboven één of twee bouwlagen. De regelmatig ingedeelde voorgevel is in de regel vijf tot negen traveeën breed, waarbij de vensters aan weerszijden van een centraal gelegen entreepartij in de gevel zijn ondergebracht. De middenas van het huis kon worden benadrukt door een risaliet, eventueel met een fronton bekroond, of door een koepelvormige uitbouw (Berbice te Voorschoten, Rhijnhof bij Leiden). De bedaking wordt gevormd door één of meer schilddaken, afhankelijk van het aantal beuken waarin het huis is onderverdeeld, of, later door een omlopend schilddak met plat.

Op deze basisvorm werd op talrijke manieren gevarieerd. Sommige huizen bezaten een monumentale en vaak hogere middenpartij tussen lagere zijvleugels (Rijksdorp bij Wassenaar) of bestonden uit drie rond een cour gerangschikte vleugels (Huis te Warmond). Al met al zijn symmetrie en betrekkelijke eenvoud de belangrijkste eigenschappen van de Zuid-Hollandse landhuisarchitectuur.

De detaillering van het gebouw was sterk afhankelijk van de heersende mode. De detaillering van 18de-eeuwse huizen sloot aan bij de ‘internationale’ Lodewijkstijlen (Lodewijk-XIV en XV-stijl). Huizen uit deze periode hebben vaak lijstgevels, bij rijkere huizen in combinatie met attiek en mezzanino en schuifvensters met roedeverdeling. Ter verfraaiing werden de gevels geregeld uitgevoerd met een geheel of gedeeltelijke bekleding in natuursteen, geblokte pilasters en een pronkrisaliet, respectievelijk ter benadrukking van de hoeken en de middenpartij van de façade. In de loop van de 18de eeuw kreeg men weer behoefte aan versobering en verstrakking.

Alle landhuizen in Zuid-Holland zijn in de loop van de tijd aan de heersende smaak aangepast. Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld originele kruisvensters met roedeverdeling zeldzaam zijn. Wel zijn 17de- en 18de-eeuwse gevels bij recente restauraties weer voorzien van vensters in oorspronkelijke vormen om zo de historische aanblik te herstellen (bv. Hofwijck te Voorburg).

Hoewel de detaillering dus veranderde, voldoen de meeste landhuizen in Zuid-Holland aan het hierboven geschetste classicistische model. Uitzonderingen vormen gebouwen die voor 1600 en na circa 1850 werden gebouwd.

Na circa 1850 worden de chaletstijl en eclectische stijlen als de (Franse) neorenaissance steeds belangrijker. De vanaf die tijd ontstane huizen zijn vaak de moderne, meer comfortabele en meestal op permanente bewoning ingerichte opvolgers van oudere huizen. In de 20ste eeuw komen daar de moderne architectuurstromingen bij, met werken van gerenommeerde architecten als W. Kromhout, Jac.Ph. Wormser en P. Vorkink en J.W. Hanrath.

Architectonische elementen en tuinsieraden

Van architectonische elementen en tuinsieraden is buitengewoon weinig bewaard gebleven. Follies, menagerieën, volières, schelpengrotten, bruggen en dergelijke worden in tal van schriftelijke bronnen genoemd. Van de aard, omvang en uiterlijk zijn weinig gegevens bekend.

De zogeheten folly, een schijngebouw in de vorm van een ruïne, een grot, een hermitage en dergelijke vormde vooral in de landschappelijke aanleg een onmisbaar element. Dergelijke constructies noodden tot melancholieke contemplatie over vergankelijkheid en waren bedoeld als verrassingselement tijdens de wandeling in het park. Er zijn weinig follies bewaard gebleven in Zuid-Holland (Huis ten Donck te Ridderkerk, Beresteijn te Voorschoten, Keukenhof te Lisse, Bisdom van Vliet te Haastrecht, Backershagen te Wassenaar).

Dienstgebouwen

In de formele parkaanleg van de 17de en 18de eeuw waren dienstgebouwen – ook wel bouwhuizen genoemd – in de regel zo opgesteld dat ze de symmetrie van de aanleg niet doorbraken. Vaak stonden ze aan weerszijden van het plein voor of achter het herenhuis. Een dergelijke formele configuratie kwam in Zuid-Holland geregeld voor, maar is nergens in de provincie in zijn geheel bewaard gebleven. Er zijn wel locaties waar één van beide bouwhuizen is blijven bestaan (Huis ten Donck). Hier en daar zijn bouwhuizen blijven bestaan, terwijl het herenhuis is afgebroken (Sion te Rijswijk, Ter Specke te Lisse).

De landschapsstijl bood meer mogelijkheden ten aanzien van de plaatsing van bijgebouwen. De dienstgebouwen werden opgenomen in de grilliger lanenstructuur binnen dit type aanleg en kwamen meer verspreid op het terrein te staan. Op talrijke plaatsen zijn tuinderswoningen, koetshuizen en dergelijke bewaard gebleven.

Duivenslag en zwanendrift

De duivenslag, het recht om duiven te houden, was een adellijk recht. Duivenkasten zijn op afbeeldingen van talloze kastelen te zien. De meestal houten constructies hangen kriskras, maar duidelijk in het zicht aan de muren van het kasteel of het herenhuis. Bij sommige kastelen waren de duiven ondergebracht in stenen torens. Hier werd het adellijk recht van de duivenslag gekoppeld aan een ander heerlijk privilege, de rechtspraak. De begane grond van dergelijke torens werd wel als gevangenis gebruikt.

Een dier dat men op tal van buitenplaatsen aantrof, is de zwaan. Het bezit van zwanendriften was aanvankelijk voorbehouden aan de adel. De oorsprong van de zwanendrift is onbekend. De zwaan gold in ieder geval als een edel dier, waaraan deugden werden toegedicht die zijn afgeleid van het gedrag van dit dier. De partners in een zwanenkoppel zijn elkaar levenslang trouw en de dieren verdedigen liefdevol hun kroost, als het moet met geweld.

Een aantal buitens in Zuid-Holland mocht zich verheugen in dit privilege. Voor zover bekend is er in onze provincie één buiten dat zijn naam ontleende aan het privilege: Swanendrift bij Alphen aan den Rijn. Opvallend is overigens dat alle buitenplaatsen die dit privilege genoten een middeleeuwse, feodale oorsprong hebben, waarbij er sprake is van een oud, aan de grond gekoppeld recht.

Behalve als siergevogelte, hielden zwanen kroos en waterplanten in de slotgracht of vijver in toom. Daarnaast werd de vogel gegeten en gebruikte men de veren als schrijfgerei.

Dat de zwaan een kostbaar bezit was, blijkt uit de fraaie halsbanden voor zwanen die bewaard zijn gebleven. Op de band stond de naam van de eigenaar of de buitenplaats waaraan de zwanendrift verbonden was. Verder werden zwanen wel gebrandmerkt, waarbij men herkenningstekens aanbracht op snavel en poot.

Inrijhekken

De toegang tot de buitenplaats diende te kunnen worden afgesloten. Dit gebeurde in de regel met zware smeedijzeren hekken, die waren opgehangen aan stenen hekpijlers of smeedijzeren – in de 19de eeuw ook gietijzeren – hekposten. Dikwijls werd het buiten van de weg gescheiden door een sloot of vaart. In dat geval vormden de hekpijlers één geheel met een stenen boogbrug.

Van inrijhekken werd meestal behoorlijk werk gemaakt. De toegang van de buitenplaats was immers het ‘visitekaartje’ van de eigenaar. De vleugels van de hekken werden in fraai smeedijzer uitgevoerd, waarbij de naam van het buiten dikwijls in het smeedwerk werd opgenomen en details volgens de laatste mode waren vormgegeven. Ook de pijlers waren veelal rijkelijk versierd. Soms werden ze in natuursteen uitgevoerd of met dit materiaal bekleed. Vaak zijn ze voorzien van een natuurstenen bekroning. Deze bestaat in de regel uit een dekplaat met daar bovenop een vaas, ananas, dennenappel, wapenschild of schilddragende leeuw.

In de 19de eeuw kwamen gietijzeren hekposten in combinatie met smeedijzeren draaihekken in zwang. Vaak deden deze hekken in schoonheid niet onder voor de stenen inrijhekken. Wel zijn ze ranker van uitvoering.

Inrijhekken zijn bij tal van buitenplaatsen in Zuid-Holland te bewonderen. Soms zijn het de enige resten die van een buitenplaats bewaard zijn gebleven.

Interieur

Er zijn op de Zuid-Hollandse buitenplaatsen weinig historische interieurs overgebleven. De voornaamste oorzaak hiervan is de functiewijziging van talrijke buitenplaatsen vanaf circa 1900. Buitens kwamen vaak in handen van instellingen en bedrijven, waarna de gebouwen op het buiten werden aangepast aan de bedrijfsvoering. Daardoor zijn vaak alleen rudimenten van de oorspronkelijke inrichting behouden gebleven.

Beter bewaard gebleven interieurs treffen we aan op buitenplaatsen die in particuliere handen zijn gebleven. Deze complexen hebben wel de oorspronkelijke woonfunctie behouden en de eigenaars besteden voor zover dat binnen hun mogelijkheden ligt veel aandacht aan de instandhouding.

Zijn historische interieurs al vrij zeldzaam op de Zuid-Hollandse buitenplaatsen, oorspronkelijke interieurs zijn nog veel moeilijker te vinden. De inrichting van het landhuis is misschien nog sterker aan de mode onderhevig dan de detaillering van het exterieur van een gebouw. Uitzonderlijk in Zuid-Holland is dan ook Huis ten Donck bij Ridderkerk, waar het interieur in rijke Lodewijk-XV-stijl uit de bouwtijd van het huis goed bewaard is gebleven. Ook enkele 19de-eeuwse huizen hebben gave interieurs, waaronder met name Bisdom van Vliet in Haastrecht. Van dit huis is ook de oorspronkelijke inboedel vrijwel volledig bewaard gebleven, een unicum in Zuid-Holland.

Oranjerieën

Een bijgebouw dat geregeld op buitenplaatsen aanwezig was, is de oranjerie. De oranjerie diende aanvankelijk als overwinteringplaats voor citrussoorten waaronder oranjeboompjes (vandaar de naam) en later ook voor exotische planten. Omdat de meeste citrussoorten enige koude en zeer lichte vorst kunnen verdragen, was het aanvankelijk niet nodig deze gebouwen te verwarmen. Toen in de loop van de 17de eeuw vorstgevoeliger planten beschikbaar kwamen, zoals laurus, oleander en palmsoorten, werd verwarming noodzakelijk. In oranjerieën hield men de temperatuur op peil met kachels. Een verwarming tot vijf graden Celsius was meestal adequaat. Dit was evenwel niet voldoende voor het telen van exoten uit de tropen, die bijvoorbeeld via de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) ons land bereikten. Deze gewassen hebben gelijkmatige en continue verwarming nodig tot zestien of zeventien graden Celsius. Dergelijke temperaturen konden alleen worden bereikt in zogeheten stookkassen, die in ons land pas omstreeks 1685 werden geïntroduceerd. Deze eerste stookkassen waren kleine constructies die meestal tegen de al bestaande oranjerie werden opgetrokken. De verwarming geschiedde met turfgestookte ovens.

De meeste oranjerieën en stookkassen zijn inmiddels verdwenen. Toch bestaan er in Zuid-Holland nog elf van dit soort voorzieningen. De oranjerieën van Berbice te Voorschoten en Huis ter Horst te Wassenaar dateren uit de 17de eeuw. De overige oranjerieën in Zuid-Holland zijn gebouwd in de 19de eeuw, toen het houden van exotische planten opnieuw in de belangstelling kwam te staan.

De meeste oranjerieën stonden aan de noordzijde van de moestuin van de buitenplaats, zodat optimaal gebruik kon worden gemaakt van zonlicht dat door de grote vensters in de zuidelijke gevel naar binnen viel.

Speelhuizen, koepels en tuinhuizen

De koepel, in contemporaine bronnen ook wel speelhuis genoemd, vormde een vast onderdeel van de buitenplaats. Het gebouw diende als pleisterplaats tijdens de wandeling, een overdekt onderkomen van waaruit men onder het genot van thee en versnaperingen via grote ramen uitzicht had over de tuin, landerijen of water.

Koepels stonden dan ook op ‘strategische’ plaatsen in de parkaanleg, aan het einde van een zichtas, vaker nog aan de rand of op de hoek van het terrein, nabij de (water)weg.

Gezien de toegepaste bouwvormen lijken koepels en paviljoens in Zuid-Holland een 18de-eeuws verschijnsel te zijn geweest. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de forse groei van het aantal buitenplaatsen in deze periode en wil niet zeggen dat het fenomeen voor 1700 onbekend was.

De klassieke koepel is in steen maar vaak ook in hout (op een stenen sokkel), op rechthoekige, vierkante, zes- of achthoekige grondslag, en voorzien van grote schuiframen met roedeverdeling en een tent-, koepel- of rondlopen schilddak. De detaillering van zowel ex- als interieur kon variëren van sober tot bijzonder rijk, maar sloot vrijwel altijd aan bij de heersende bouwmode.

Met de introductie van de landschapsstijl komt er meer verscheidenheid in vorm. Meer nog dan de oranjerie dienden koepel en paviljoen als decoratief en thematisch ‘tuinsieraad’ in de parkaanleg. Vooral exotische vormen komen in zwang. De meest wilde uitmonsteringen in onder andere Chinese of gotische trant werden soms niet geschuwd.

Afgezet tegen de alomtegenwoordigheid van koepels en speelhuizen op buitenplaatsen tot in de 19de en 20ste eeuw, zijn er maar weinig bewaard gebleven. Waarschijnlijk komt dat doordat koepels tot de luxe uitmonstering van buitens behoorden, waarvoor – door hun vorm en omvang – moeilijk een andere bestemming kon worden gevonden. Toen een groot aantal buitenplaatsen na circa 1900 in handen van bedrijven en instellingen kwamen, verloren de koepels hun functie, terwijl het onderhoud van deze gebouwtjes, zeker als zij in vergankelijke materialen als hout en riet waren opgetrokken, een flinke kostenpost konden worden.

 

 

Zuid Holland
Home.
Brabant.
Drenthe.
Flevoland.
Friesland.
Gelderland.
Groningen.
Limburg.
Noord Holland.
Overijssel.
Utrecht.
Zeeland.
Zuid Holland.
Diversen .