Kastelen & buitenplaatsen in Nederland
Guus Pauwels

Laatste update

12 mei 2017

Bezoeker

Wat is een kasteel?

Bij een kasteel gaat het om een middeleeuws bouwwerk met een gecombineerde functie van verdedigbaarheid en bewoonbaarheid. In de regel gaat het om de woning van een adellijke familie, waarbij het kasteel een functie vervult als bestuurlijk centrum voor de omgeving. Daarnaast heeft het kasteel ook een economische functie. Zo was er bij veel kastelen ook een agrarisch bedrijf op het kasteelterrein gevestigd.

Vanaf de twaalfde eeuw nam het aantal kastelen in het Sticht sterk toe. Behalve op de oude gronden langs de Kromme Rijn, de Oude Rijn en de Vecht verrezen ook veel kastelen in de veengebieden die in de elfde en twaalfde eeuw in cultuur werden gebracht, zoals die langs de Langbroekerwetering en de Jutphase wetering.

In het Sticht zijn ook kastelen te vinden die niet aan de adel toebehoorden maar aan de bisschop of hoge geestelijken. Voorbeelden daarvan vormen de bisschoppelijke kastelen in Abcoude, Ter Horst, Duurstede, Ter Eem, Stoutenburg en Vreeland en de kastelen van de proost van de Dom in Doorn en de proost van Sint Jan in Mijdrecht. Een bijzonder geval vormt de burcht Trecht, gelegen ter plaatse van het oude Romeinse fort midden in de stad Utrecht, die van oudsher als residentie van de bisschop diende. Naast de Bisschopshof bevonden zich binnen de muren van deze burcht ook de huizen van de kanunniken van Dom en Oudmunster. Vanaf het midden van de elfde eeuw had ook de Duitse keizer hier een eigen residentie, de palts Lofen.

In de late Middeleeuwen traden soms ook steden op als bouwheer van een kasteel. Zo lieten de Utrechtse gilden een versterkte huis bouwen in Vreeswijk, de Gildenborgh, ter bescherming van de sluis die de toegang vormde van de Vaartse Rijn die Utrecht met de Lek verbond.

Een terrein waar ooit een kasteel heeft gestaan, wordt ook wel aangeduid als kasteelplaats. Tot deze terreinen worden behalve het eigenlijke kasteel ook de bijgebouwen, de voorburcht en de bijbehorende tuinen, singels en grachten gerekend. Bij een aantal van de 113 kasteelplaatsen die voor de provincie Utrecht in kaart zijn gebracht, zijn nog wel ruines of resten van de bijgebouwen te vinden. Daarnaast zijn veel van deze terreinen nog herkenbaar aan resten van de oude omgrachting. Van andere kasteelplaatsen resteren alleen nog archeologische resten of vermeldingen in de historische bronnen.

Wat is een ridderhofstad?

Vanaf de zestiende eeuw wordt een aantal van de kastelen binnen het Sticht bestempeld als ridderhofstad. In oorsprong was dit een kwalificatie met een fiscale achtergrond. De term duikt voor het eerst op in 1512 toen de bisschop en de Staten van Utrecht afspraken maakten over de herinvoering van het ‘huisgeld', een jaarlijkse belasting op elk huis. Daarbij werd tevens bepaald dat de huizen van de leden van de ridderschap van deze belasting zouden worden vrijgesteld.

 

De heffing van deze belasting in de jaren daarna verliep niet zonder problemen. Zo ontstond er discussie over de vraag welke huizen nu wel of niet de status van ridderhofstad genoten. In 1536 stelden de Staten van Utrecht vast aan welke criteria een ridderhofstad moest voldoen. In de eerste plaats moest de eigenaar behoren tot de ridderschap. In de tweede plaats moest het gaan om een huis met een riddermatig uiterlijk, dat wil zeggen: een versterkt huis met gracht en omhaalbrug. De aanwezigheid van een eigen boerderij binnen het gebouwencomplex van de ridderhofstad vormde een derde voorwaarde. Dit resulteerde in een lijst van 38 ridderhofsteden die in de jaren 1536-1539 verder werd aangevuld tot 59 erkende ridderhofsteden. Tot een finale lijst kwam het echter niet omdat de Staten uiteindelijk besloten om in plaats van het huisgeld een grondbelasting in te voeren. Overigens kwamen niet alle kastelen in het Sticht voor opname in de lijst in aanmerking. Zo ontbreken alle landsheerlijke kastelen evenals de versterkte huizen in de vrijheden van de steden Utrecht, Amersfoort, Wijk bij Duurstede en Rhenen, en in die delen van het Sticht die zich aan het gezag van de landsheer en de Staten onttrokken zoals de proosdij van Sint Jan, Hagestein, Ameide, Honswijk en stad en land van Montfoort.

Vanaf het einde van de zestiende eeuw werd het bezit van een ridderhofstad steeds belangrijker als voorwaarde om te worden toegelaten tot de ridderschap, die als stand een eigen vertegenwoordiging kende in de Staten van Utrecht. Dit maakte het bezit van een ridderhofstad zeer aantrekkelijk. Verschillende adellijke families kochten ridderhofsteden om zo toegang tot de ridderschap te krijgen  voor hun zonen. Het werd steeds belangrijker om vast te stellen welke huizen nu werkelijk een ridderhofstad waren. Tussen 1608-1611 werd een nieuwe lijst opgesteld met maar liefst 110 huizen maar deze heeft nooit een officiële status gekregen. Omdat de riddermatigen hun gelederen liever gesloten hielden, probeerde men het aantal ridderhofsteden te beperken. Uiteindelijk bleef de lijst van 1536-1539 van kracht en hebben de Staten in de zeventiende eeuw slechts een beperkt aantal kastelen als ridderhofstad officieel erkend. Vanaf 1680 kwamen er geen nieuwe erkenningen meer bij en telde het Sticht in totaal 70 ridderhofsteden. Twee daarvan, Langerak en Langestein, lagen op de zuidoever van de Lek en worden tegenwoordig tot de provincie Zuid-Holland gerekend.

Wat is een buitenplaats?

Het is niet altijd even duidelijk hoe de termen kasteel, ridderhofstad, landhuis, landgoed, buitenhuis en buitenplaats zich tot elkaar verhouden. In recente publicaties wordt de term buitenplaats gehanteerd als overkoepelend begrip.

Dit begrip kent ook een wettelijke verankering in het Besluit Rijkssubsidiering Historische Buitenplaatsen 1988. Daarin wordt de (historische) buitenplaats gedefinieerd als een ruimtelijk geheel, dat ‘met name wordt gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten.' De samenstellende onderdelen van dit ensemble zijn door opzet of ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een compositorische eenheid.

Kort gezegd is een buitenplaats: een monumentaal huis, dat samen met eventuele bijgebouwen één geheel vormt met de omringende tuinen of parkaanleg. Dit monumentale huis kan dus zowel een kasteel, als een buitenhuis of een landhuis zijn. Een buitenplaats kan deel uitmaken van een landgoed maar er zijn ook veel buitenplaatsen zonder landerijen.

De nog bestaande kastelen worden tegenwoordig onder de buitenplaatsen gerekend. Locaties van niet meer bestaande kastelen worden ook wel kasteelplaatsen genoemd. Een aantal van de kastelen in de provincie Utrecht is in de zestiende of zeventiende eeuw gekwalificeerd als ridderhofstad.

Uit een recente inventarisatie blijkt dat er binnen de grenzen van de provincie nog zo'n 300 buitenplaatsen resteren waarvan het huis en/of de bijbouwen nog overeind staan

Wat is een buitenhuis?

Het buitenhuis onderscheidt zich van het kasteel door het ontbreken van verdedigingsfunctie. Bij deze categorie gaat het om een herenhuis met een stijltuin of parkaanleg buiten de muren van de stad, waarbij het comfort van de woonfunctie voorop staat. Veel buitenhuizen werden alleen in de zomer bewoond.

De opkomst van het buitenhuis gaat terug tot in het midden van de zestiende eeuw. Het vroegste voorbeeld vormt het ‘huys van plaisance' dat Pieter de Clerck, rentmeester van de domeinen van Utrecht, kort voor 1550 liet bouwen in Lauwerecht, in de stadsvrijheid van Utrecht. In de zeventiende eeuw nam de bouw van buitenhuizen een grote vlucht, met name langs de Vecht, waar veel Amsterdamse kooplieden een luxueus buitenverblijf lieten inrichten met bijbehorende siertuin. Een vroeg voorbeeld hiervan biedt Goudenstein in Maarssen, dat door de Amsterdamse koopman Johan Huydecoper werd gebouwd op een terrein dat hij in 1608 daartoe had aangekocht.

Veel buitenhuizen kwamen bij of ter plaatse van een voormalige boerderij tot stand. Goudestein is daarvan een voorbeeld. Daarnaast zijn er buitenplaatsen die voortkwamen uit een herberg, zoals Bloeijendael aan de Biltse Steenstraat of De Minstroom bij Utrecht. Ook de terreinen van voormalige kloosters en abdijen buiten de muren van de stad kwamen in aanmerking als buitenplaats. Als voorbeelden kunnen Oudwijk, Oostbroek en Vrouwenklooster worden genoemd.

Later in de zeventiende eeuw werden ook oude kasteelterreinen aangekocht voor de aanleg van buitenplaatsen. Vooral na de grootschalige verwoesting van kastelen in het Sticht door de Franse troepen in het Rampjaar 1672 maakten veel oude kastelen plaats voor een herbouw in een stijl die nauw aansloot bij de architectuur van de zeventiende-eeuwse buitenhuizen. Een bekend voorbeeld hiervan is kasteel Amerongen.

Behalve langs de Vecht ontstonden ook veel buitenplaatsen op de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug. In de tweede helft van de zeventiende eeuw stichtten de Oranjes hier enkele grote buitenplaatsen: Zuylestein bij Leersum, het jachtpaleis Soestdijk en het Slot van Zeist. Andere buitenplaatsen ontstaan op de ruime kavels langs de in 1653 aangelegde Amersfoortseweg. In de achttiende eeuw neemt de aanleg van buitenplaatsen op de Heuvelrug een grote vlucht en groeit dit gebied uit tot wat wel de Stichtse Lustwarande wordt genoemd

 

Utrecht
Home.
Brabant.
Drenthe.
Flevoland.
Friesland.
Gelderland.
Groningen.
Limburg.
Noord Holland.
Overijssel.
Utrecht.
Zeeland.
Zuid Holland.
Diversen .